AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bestemmingsplan Hooipolder en Kerkpolder-Oost 2013
De raad van de gemeente Midden-Delfland stelde op 28 mei 2013 het bestemmingsplan "Hooipolder en Kerkpolder-Oost 2013" vast. Verzoeker, wonend te Den Hoorn, stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tegelijkertijd om een voorlopige voorziening.
De voorzitter behandelde het verzoek op 3 september 2013. Verzoeker maakte bezwaar tegen een wijziging in de planregels die de bouw van een tennismuur op circa 35 meter van zijn woning mogelijk zou maken. De raad stelde dat verzoekers beroep niet-ontvankelijk was omdat hij geen zienswijze had ingediend tegen het ontwerpplan.
De voorzitter oordeelde dat de ambtshalve wijziging van de planregel een limitatieve opsomming bleef bevatten en dat de bouw van een tennismuur niet was toegestaan. Hierdoor was verzoeker niet in een slechtere positie gebracht dan in het ontwerpplan. Omdat verzoeker geen zienswijze had ingediend en dit hem redelijkerwijs kon worden verweten, werd zijn beroep naar verwachting niet-ontvankelijk verklaard.
Op grond hiervan wees de voorzitter het verzoek om voorlopige voorziening af en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan op 23 september 2013.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid van het beroep.
Uitspraak
201306283/2/R4.
Datum uitspraak: 23 september 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:
[verzoeker], wonend te Den Hoorn, gemeente Midden-Delfland,
en
de raad van de gemeente Midden-Delfland,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 28 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Hooipolder en Kerkpolder-Oost 2013" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoeker] beroep ingesteld.
Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 3 september 2013, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. S. Pronk, advocaat te Delft, en de raad, vertegenwoordigd door T.W.P. van den Berg, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2. Het plan bevat een actuele juridisch-planologische regeling voor, onder meer, een sport- en recreatiegebied.
3. [verzoeker] keert zich ertegen dat artikel 8, lid 8.2.2, onder a, van de planregels van het bestemmingsplan voorziet in een tennismuur op ongeveer 35 m van zijn woning.
4. De raad betoogt dat [verzoeker] geen zienswijze over het ontwerpplan naar voren heeft gebracht, zodat zijn beroep niet-ontvankelijk is.
4.1. Ingevolge artikel 8:1 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 vanPro de Awb en artikel 2 vanPro bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 vanPro de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door een belanghebbende die tegen het ontwerpplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.
4.2. Het beroep van [verzoeker] steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.
[verzoeker] betoogt dat hem dat redelijkerwijs niet kan worden verweten in verband met de wijzigingen die bij de vaststelling van het bestemmingsplan in artikel 8, lid 8.2.2, onder a, van de planregels zijn aangebracht. Volgens hem worden zijn belangen door deze wijzigingen geschaad.
4.3. In het ontwerpplan luidde artikel 8, lid 8.2.2, onder a, als volgt: Op of in de in 8.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend de volgende bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden gebruikt:
1. lichtmasten;
2. masten ten behoeve van omroepinstallaties;
3. straatmeubilair;
4. hekwerken;
5. scoreborden;
6. ballenvangers;
7. tribune met een oppervlakte van ten hoogste 700 m2.
Ingevolge het bepaalde onder b, bedraagt de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste:
1. 15 m voor lichtmasten en masten ten behoeve van omroepinstallaties;
2. 10 m voor een tribune;
3. 5 m voor hekwerken en ballenvangers;
4. 3 m voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
4.4. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan is artikel 8, lid 8.2.2, onder a, van de planregels ambtshalve gewijzigd. Het woord "uitsluitend" is geschrapt en het woord "gebruikt" is vervangen door "gebouwd". Ter motivering is vermeld dat het artikel onnodig strak is geformuleerd en een verschrijving bevat.
4.5. Met betrekking tot de vraag of [verzoeker] door de wijziging van het bestemmingsplan in een nadeliger positie is gebracht, overweegt de voorzitter het volgende.
Het ambtshalve gewijzigde artikel 8, lid 8.2.2, onder a, van de planregels bevat naar het oordeel van de voorzitter een limitatieve opsomming. Dat ter motivering van deze wijziging is gesteld dat het artikel onnodig strak is geformuleerd, is op zich niet toereikend voor de vaststelling dat dit artikel niet langer een limitatieve opsomming bevat. Anders dan de raad is de voorzitter voorts van oordeel dat ook artikel 8, lid 8.2.2, onder b, onder 4, van de planregels niet dwingt tot een andere conclusie, reeds omdat het bepaalde onder b, anders dan de raad meent, betekenis blijft houden voor straatmeubilair en scoreborden. Een en ander leidt de voorzitter tot de conclusie dat artikel 8, lid 8.2.2, onder a, van de planregels de bouw van een tennismuur, die naar het oordeel van de voorzitter niet kan worden aangemerkt als ballenvanger, niet mogelijk maakt. Dit betekent dat [verzoeker], anders dan hij veronderstelt, door de bestreden wijziging niet in een slechtere positie is gebracht. Gelet hierop zal zijn beroep naar verwachting niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat hij over het ontwerpbesluit geen zienswijze naar voren heeft gebracht en geen grond bestaat voor het oordeel dat hem dat redelijkerwijs niet kan worden verweten.
5. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A. Bijleveld, ambtenaar van staat.