ECLI:NL:RVS:2013:1366
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing zorgtoeslag wegens niet-rechtmatig verblijf partner
De Belastingdienst/Toeslagen stelde het voorschot zorgtoeslag voor 2011 op nihil vast omdat de partner van appellant niet rechtmatig in Nederland verbleef. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze beslissing, maar zowel de rechtbank Oost-Brabant als de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaarden het beroep ongegrond.
Appellant voerde aan dat haar recht op zorgtoeslag gelijk moest worden beoordeeld als een alleenstaande, omdat zij volgens de Wet werk en bijstand als zodanig werd aangemerkt. De Afdeling verwierp dit, omdat de Wwb een andere regeling is en voor zorgtoeslag het rechtmatig verblijf van de partner bepalend is volgens artikel 9, tweede lid, Awir.
Daarnaast stelde appellant dat het onderscheid tussen rechtmatig en niet-rechtmatig verblijf van partners discriminerend was. De Afdeling oordeelde dat dit onderscheid op redelijke en objectieve gronden berust, mede vanwege het doel van de Koppelingswet om illegaal verblijf niet te faciliteren via collectieve voorzieningen.
De Afdeling concludeerde dat appellant geen aanspraak had op zorgtoeslag over 2011 en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de zorgtoeslag wordt bevestigd.