ECLI:NL:RVS:2013:1392
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid inreisverbod vreemdeling met toepassing artikel 8 EVRM
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie vaardigde op 9 augustus 2012 een inreisverbod uit tegen de vreemdeling. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank 's-Gravenhage, die het inreisverbod vernietigde wegens onvoldoende motivering van de belangenafweging, met name de gevolgen voor het familie- en gezinsleven zoals beschermd onder artikel 8 EVRM Pro.
De staatssecretaris ging in hoger beroep en voerde aan dat het inreisverbod gerechtvaardigd is omdat de vreemdeling recent Nederland was binnengekomen, een misdrijf had gepleegd dat de openbare orde schaadde, en dat er geen objectieve belemmering bestond om het gezinsleven buiten Europa uit te oefenen. Tevens stelde hij dat het contact met familie vooral op afstand plaatsvond.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de belangenafweging onvoldoende was gemotiveerd. De Raad stelde dat de staatssecretaris alle relevante feiten had betrokken en dat het Nederlandse algemeen belang zwaarder weegt dan het belang van de vreemdeling. De Raad vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep tegen het inreisverbod ongegrond.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 27 september 2013.
Uitkomst: Het beroep tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.