ECLI:NL:RVS:2013:1422
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- E. Steendijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel
De minister voor Immigratie en Asiel wees op 16 maart 2011 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit. De minister stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State stelt vast dat de rechtbank buiten de grenzen van het geschil trad door ambtshalve het beleid inzake het vlucht- en vestigingsalternatief te toetsen, hetgeen niet als beroepsgrond was aangevoerd. Hierdoor wordt de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
De Raad toetst vervolgens het besluit van 16 maart 2011 aan de oorspronkelijke beroepsgronden. De vreemdeling voerde aan dat het vestigingsalternatief in Zuid- en Centraal-Somalië niet passend is, verwijzend naar het ambtsbericht 2010 en UNHCR-richtlijnen. De Raad oordeelt dat de situatie in die regio niet wezenlijk is veranderd en dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt stelt dat er een vestigingsalternatief bestaat.
De overige beroepsgronden worden niet meer behandeld omdat deze door de rechtbank al zijn beoordeeld en niet in hoger beroep zijn betwist. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.