ECLI:NL:RVS:2013:1432

Raad van State

Datum uitspraak
30 september 2013
Publicatiedatum
9 oktober 2013
Zaaknummer
201210757/2/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
  • E.A. Binnema
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen ongeldigverklaring rijbewijs en alcoholslotprogramma

Het CBR heeft op 26 januari 2012 het rijbewijs van verzoeker ongeldig verklaard en hem verplicht deel te nemen aan een alcoholslotprogramma. Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 31 mei 2012 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker tegen deze besluiten op 8 oktober 2012 ongegrond. Verzoeker stelde hoger beroep in en verzocht de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening.

De voorzitter behandelde het verzoek op 12 september 2013. Hij overwoog dat een inhoudelijke beoordeling van de standpunten nader onderzoek vergt en daarom in de bodemprocedure moet plaatsvinden. Het belang van verzoeker om zijn beroep als vrachtwagenchauffeur uit te oefenen werd erkend, maar het belang van de verkeersveiligheid werd zwaarder gewogen.

De voorzitter nam mee dat verzoeker zelf heeft bijgedragen aan de situatie door op 14 januari 2012 met een zeer hoog alcoholgehalte te rijden. Persoonlijke omstandigheden waren niet doorslaggevend gezien het belang van de verkeersveiligheid. Daarom wees hij het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het ongeldig verklaren van het rijbewijs en deelname aan het alcoholslotprogramma wordt afgewezen.

Uitspraak

201210757/2/A3.
Datum uitspraak: 30 september 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[verzoeker], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 8 oktober 2012 in zaak nr. 12/1985 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
de Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (thans: de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen; hierna: het CBR).
Procesverloop
Bij besluit van 26 januari 2012 heeft het CBR het aan [verzoeker] afgegeven rijbewijs ongeldig verklaard en hem verplicht aan een alcoholslotprogramma deel te nemen.
Bij besluit van 31 mei 2012 heeft het CBR het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 8 oktober 2012 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.
[verzoeker] heeft de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 12 september 2013, waar [verzoeker], bijgestaan door [gemachtigde], en het CBR, vertegenwoordigd door mr. S.J.M. Ditvoorst-van der Ark, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2. Het verzoek strekt ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de besluiten van 26 januari 2012 en 31 mei 2012 worden geschorst in afwachting van de uitspraak op het ingestelde hoger beroep.
3. Een inhoudelijke beoordeling van de ingenomen standpunten vergt naar het oordeel van de voorzitter nader onderzoek, waartoe de voorlopige voorzieningenprocedure zich minder leent. Beoordeling van deze standpunten zal derhalve in de bodemprocedure dienen plaats te vinden. Niet op voorhand staat echter vast dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven. In het kader van de afweging van de bij het verzoek betrokken belangen, is de voorzitter van oordeel dat het belang van [verzoeker] bij het kunnen beschikken over een rijbewijs om het beroep als vrachtwagenchauffeur uit te kunnen oefenen evident is. Daartegenover staat echter het belang van de verkeersveiligheid, dat in dit geval naar het oordeel van de voorzitter zwaarder dient te wegen. Daarbij is betrokken dat [verzoeker] zelf heeft bijgedragen aan de onderhavige situatie door op 14 januari 2012 met een zeer hoog alcoholgehalte zijn auto te besturen. Dat daarbij persoonlijke omstandigheden een rol hebben gespeeld acht de voorzitter in het licht van het belang van de verkeersveiligheid niet van doorslaggevende betekenis.
4. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Binnema, ambtenaar van staat.
w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Binnema
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 30 september 2013
589.