ECLI:NL:RVS:2013:1504
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.W.C. Feteris
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verklaring omtrent gedrag voor functie buitengewoon opsporingsambtenaar na zedendelict
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de weigering van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie om een verklaring omtrent het gedrag (VOG) af te geven voor de functie van (buitengewoon) opsporingsambtenaar. De staatssecretaris had de aanvraag afgewezen op grond van een eerdere veroordeling van appellant voor ontucht met een minderjarige, waarvoor hij in 2004 in hoger beroep tot 24 maanden gevangenisstraf werd veroordeeld.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft overwogen dat het screeningsprofiel voor buitengewoon opsporingsambtenaren een hoge mate van integriteit vereist en dat zedendelicten binnen een terugkijktermijn van twintig jaar een belemmering vormen voor de uitoefening van deze functie. Hoewel appellant stelde dat het strafbare feit ruim zestien jaar geleden was gepleegd en hij positieve ontwikkelingen had doorgemaakt, oordeelde de Afdeling dat de datum van de rechterlijke uitspraak in eerste aanleg (2003) als uitgangspunt geldt, waardoor het tijdsverloop ten tijde van de aanvraag slechts acht jaar bedroeg.
De Afdeling stelde vast dat de staatssecretaris terecht het objectieve criterium toepaste en dat het subjectieve criterium geen aanleiding gaf tot afgifte van de VOG, omdat de weigering niet evident disproportioneel is. De ernst van het zedendelict, de aard van de functie met gezags- en afhankelijkheidsrelaties en het risico voor de samenleving werden zwaarder gewogen dan het belang van appellant. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De weigering van de verklaring omtrent gedrag voor de functie van buitengewoon opsporingsambtenaar wordt bevestigd vanwege een eerdere veroordeling voor een ernstig zedendelict binnen de terugkijktermijn.