ECLI:NL:RVS:2013:1508

Raad van State

Datum uitspraak
10 oktober 2013
Publicatiedatum
16 oktober 2013
Zaaknummer
201204328/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 45 Vreemdelingenwet 2000Art. 66a Vreemdelingenwet 2000Art. 85 Vreemdelingenwet 2000Art. 91 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling rechtmatigheid inreisverbod en afwijzing verblijfsvergunning asiel

De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister op 26 maart 2012 werd afgewezen, waarbij tevens een inreisverbod werd opgelegd. De voorzieningenrechter verklaarde zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen het inreisverbod en wees het beroep verder af.

Zowel de vreemdeling als de minister stelden hoger beroep in. De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep van de vreemdeling kennelijk ongegrond is, terwijl het hoger beroep van de minister gegrond werd verklaard. De Raad vernietigde het oordeel van de voorzieningenrechter over diens onbevoegdheid om het beroep tegen het inreisverbod te behandelen, omdat volgens vaste jurisprudentie rechtstreeks beroep tegen een inreisverbod mogelijk is.

De Raad toetste vervolgens het inreisverbod inhoudelijk en oordeelde dat het beroep van de vreemdeling tegen het inreisverbod ongegrond is. De stelling van de vreemdeling dat het inreisverbod ondeugdelijk was gemotiveerd, onder meer vanwege de situatie in Somalië en het feit dat zij daardoor niet kon vertrekken, werd niet gevolgd. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard en het oordeel over onbevoegdheid van de voorzieningenrechter wordt vernietigd.

Uitspraak

201204328/1/V2.
Datum uitspraak: 10 oktober 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
1. [de vreemdeling]
2. de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,
appellanten,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 20 april 2012 in zaken nrs. 12/10384 en 12/10386 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 26 maart 2012 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen alsmede een inreisverbod tegen haar uitgevaardigd. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 20 april 2012 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, zich onbevoegd verklaard van het door de vreemdeling tegen het inreisverbod ingestelde beroep kennis te nemen en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdeling en de minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, hoger beroepen ingesteld. De hogerberoepschriften zijn aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
In het hoger beroep van de vreemdeling
1. Hetgeen in het hogerberoepschrift is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.
2. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond.
In het hoger beroep van de minister
3. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.
4. De staatssecretaris klaagt in de enige grief dat, samengevat weergegeven, de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat, gelet op het bepaalde in artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, een inreisverbod slechts door middel van een zelfstandig besluit kan worden uitgevaardigd en derhalve niet als onderdeel van een meeromvattende beschikking. Volgens de staatssecretaris staat, anders dan de voorzieningenrechter heeft overwogen, rechtstreeks beroep open tegen het inreisverbod van 26 maart 2012.
4.1. De in de grief opgeworpen rechtsvragen heeft de Afdeling reeds beantwoord bij uitspraken van 31 augustus 2012 en 29 maart 2013 in zaken nrs. 201203034/1/V2 en 201202612/1/V2. Uit de overwegingen van die uitspraken volgt dat de grief slaagt en dat tegen het inreisverbod van 26 maart 2012 rechtstreeks beroep openstaat.
5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover de voorzieningenrechter zich daarbij onbevoegd heeft verklaard om van het beroep tegen het inreisverbod kennis te nemen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het besluit in zoverre worden getoetst in het licht van de in eerste aanleg tegen het inreisverbod aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.
6. De vreemdeling heeft in beroep aangevoerd dat de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij een inreisverbod van twee jaar heeft opgelegd. Zij heeft daarbij gewezen op de algehele veiligheidssituatie in Somalië en de omstandigheid dat zij hierdoor niet de mogelijkheid heeft Nederland te verlaten.
6.1. De omstandigheid dat de vreemdeling, naar zij stelt, niet kan vertrekken, kan, wat daar overigens van zij, bij de toetsing van het tegen haar uitgevaardigde inreisverbod niet meer aan de orde komen.
7. Het beroep, voor zover gericht tegen het inreisverbod, is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van de vreemdeling ongegrond;
II. verklaart het hoger beroep van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel gegrond;
III. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 20 april 2012 in zaak nr. 12/10384, voor zover de voorzieningenrechter zich daarbij onbevoegd heeft verklaard om van het beroep tegen het inreisverbod van 26 maart 2012 kennis te nemen
IV. verklaart het in die zaak ingestelde beroep in zoverre ongegrond;
V. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Yildiz, ambtenaar van staat.
w.g. Verheij w.g. Yildiz
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2013
594