ECLI:NL:RVS:2013:1520
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid bezwaar tegen afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf
De minister van Buitenlandse Zaken wees op 25 maart 2011 een aanvraag van vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na een bezwaarprocedure verklaarde de rechtbank het beroep van de vreemdelingen gegrond en vernietigde het besluit van de minister. De minister, inmiddels staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De kern van het geschil betrof het niet verschijnen van de vreemdelingen op een identificerend gehoor bij de ambassade in Addis Abeba zonder verschoonbare reden. De staatssecretaris stelde dat hierdoor geen ruimte was voor belangenafweging en dat het bezwaar terecht ongegrond werd verklaard. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank dit niet had onderkend en verklaarde het hoger beroep gegrond.
Verder werden door de vreemdelingen diverse internationale verdragsbepalingen aangevoerd, waaronder het IVRK, maar deze werden verworpen wegens gebrek aan onderbouwing. De Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond, waarmee het besluit van de minister stand houdt.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdelingen wordt ongegrond verklaard en het besluit van de minister tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf blijft in stand.