ECLI:NL:RVS:2013:1582
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- A.W.M. Bijloos
- L.J. Können
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf
De minister van Buitenlandse Zaken heeft op 28 september 2012 de aanvraag van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 26 februari 2013 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling op 23 augustus 2013 gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de minister binnen vier weken een nieuw besluit moest nemen.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen. De vreemdeling betoogde dat het verzoek niet-ontvankelijk was vanwege het ontbreken van een handtekening op het verzoekschrift, maar dit werd verworpen omdat het verzoekschrift samen met het ondertekende hogerberoepschrift was ingediend.
De voorzitter oordeelde dat het niet uitgesloten is dat het hoger beroep zal leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Omdat de vreemdeling geen bijzondere belangen had aangevoerd die onmiddellijke uitvoering van de uitspraak vereisten, werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen. Hierdoor hoeft de staatssecretaris geen nieuw besluit te nemen voordat op het hoger beroep is beslist.
Uitkomst: De voorzitter bepaalt dat de staatssecretaris geen nieuw besluit hoeft te nemen voordat het hoger beroep is beslist.