ECLI:NL:RVS:2013:1588
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in vreemdelingenrecht
Bij besluiten van 31 januari 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel de aanvragen van vreemdelingen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen. De rechtbank had dit besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen. De minister stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank buiten de omvang van het geschil was getreden door te veronderstellen dat de vreemdelingen verblijf beoogden voor verruimde gezinshereniging, terwijl het geschil zich beperkte tot de beoordeling onder artikel 3.4, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. De Afdeling vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank.
Inhoudelijk overwoog de Afdeling dat de staatssecretaris terecht het verzoek om verblijf bij de dochter niet onder bijzondere omstandigheden heeft beoordeeld, aangezien de vreemdelingen geen asielprocedure volgden en de omstandigheden niet voldeden aan de criteria van artikel 3.4, derde lid, Vb 2000. De vreemdelingen konden geen bijzondere emotionele band met hun meerderjarige dochter aantonen die bescherming onder artikel 8 EVRM Pro rechtvaardigt. Ook het beroep op mensenhandelbescherming en de risico's in Bulgarije werden niet als grond voor verblijf erkend.
Het beroep van de vreemdelingen werd ongegrond verklaard en het hoger beroep van de minister gegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdelingen wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt bevestigd.