ECLI:NL:RVS:2013:1595
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid inreisverbod en vertrektermijn vreemdeling
De minister wees op 9 mei 2012 de aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning asiel af, legde hem een inreisverbod op en beval onmiddellijke vertrek uit Nederland. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het inreisverbod. Zowel de vreemdeling als de minister gingen in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep van de vreemdeling kennelijk ongegrond is, omdat zijn argumenten geen aanleiding geven tot vernietiging. Het hoger beroep van de minister was kennelijk gegrond, waardoor het eerdere oordeel over het inreisverbod werd vernietigd. De Afdeling toetste het terugkeerbesluit en het inreisverbod aan de ingebrachte beroepsgronden.
De vreemdeling stelde dat hem ten onrechte een vertrektermijn was onthouden, terwijl de staatssecretaris onvoldoende rekening hield met de Europese Richtlijn 2008/115/EG. De Raad oordeelde dat het onthouden van de vertrektermijn gerechtvaardigd was vanwege het risico op ontduiking van toezicht. Ook was het beroep op strijd met de richtlijn ongegrond, omdat de richtlijn een uitzondering op de vertrektermijn toestaat bij risico op ontduiking.
Verder stelde de vreemdeling dat de staatssecretaris onvoldoende kennis had vergaard over relevante feiten en de duur van het inreisverbod onvoldoende had gemotiveerd. De Raad verwierp deze stellingen omdat de vreemdeling voorafgaand aan het besluit was gehoord en geen concrete feiten of omstandigheden had aangevoerd die niet waren meegewogen.
De Raad verklaarde het hoger beroep van de vreemdeling ongegrond, dat van de minister gegrond, vernietigde het eerdere oordeel over het inreisverbod en bevestigde het besluit van 9 mei 2012 voor het overige.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling is ongegrond verklaard en het inreisverbod is bevestigd.