ECLI:NL:RVS:2013:1617
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H. Troostwijk
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende aannemelijkheid traumatische ervaringen
De minister heeft op 2 februari 2012 een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen opnieuw afgewezen. De rechtbank 's-Gravenhage heeft dit besluit op 29 augustus 2012 vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen. De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie stelde hiertegen hoger beroep in.
De staatssecretaris voerde aan dat hij alle relevante feiten en omstandigheden had betrokken en dat de vreemdeling niet aannemelijk had gemaakt dat hij binnen zes maanden na de mishandelingen in Armenië het land niet kon verlaten. De rechtbank had volgens hem ten onrechte geoordeeld dat de motivering van de staatssecretaris ondeugdelijk was en dat onvoldoende invulling was gegeven aan de onderzoeksplicht.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank niet had onderkend dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt had gesteld dat de vermoedens van de vreemdeling niet plausibel waren en dat hij niet in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b en c van de Vreemdelingenwet 2000. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning gehandhaafd.