ECLI:NL:RVS:2013:1667
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging last onder bestuursdwang voor illegale uitbouw in strijd met bestemmingsplan
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag legde aan appellant een last onder bestuursdwang op om een uitbouw op het achtererf van zijn perceel te verwijderen of terug te brengen tot maximaal 3 meter diepte, omdat deze zonder omgevingsvergunning was gebouwd en in strijd was met het bestemmingsplan.
Appellant maakte bezwaar en voerde onder meer aan dat een ambtenaar van de Dienst Stedelijke Ontwikkeling het gerechtvaardigd vertrouwen had gewekt dat een vergunning zou worden verleend en dat de bouwwerkzaamheden gedoogd zouden worden. Tevens stelde appellant dat het college alleen tot handhaving mocht overgaan indien nadeelcompensatie werd verleend vanwege zijn investeringen. Ook stelde hij een schending van het gelijkheidsbeginsel aan de orde.
De Raad van State oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat er concrete, ondubbelzinnige toezeggingen waren gedaan die het gerechtvaardigd vertrouwen konden wekken. Het ontbreken van een bouwstop door een ambtenaar tijdens de bouw was onvoldoende om af te zien van handhaving. Ook was geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel, omdat de percelen van derden een andere bestemming hadden waarbij ontheffing mogelijk was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot last onder bestuursdwang bevestigd.