AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep tegen vreemdelingenbewaring en afwijzing schadevergoeding
De vreemdeling is op 12 augustus 2013 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank Den Haag verklaarde het tegen deze maatregel ingestelde beroep op 27 augustus 2013 ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelt dat de rechtbank ten onrechte het beroep heeft aangemerkt als een beroep tegen het voortduren van de oorspronkelijke maatregel van 11 juli 2013, terwijl op 12 augustus 2013 een nieuwe maatregel is opgelegd na een periode van strafrechtelijke detentie. Hierdoor is de rechtbank buiten het bereik van de toepasselijke wettelijke bepalingen getreden, zodat de Afdeling wel van het hoger beroep kennis kan nemen.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en beoordeelt het beroep tegen de maatregel van 12 augustus 2013 zelf. Dit beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring van 12 augustus 2013 wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitspraak
201308255/1/V3.
Datum uitspraak: 11 oktober 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 27 augustus 2013 in zaak nr. 13/20758 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 12 augustus 2013 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 27 augustus 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 84, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), voor zover thans van belang, staat in afwijking van artikel 8:104, eerste lid, van de Awb geen hoger beroep open tegen een uitspraak van de rechtbank over een besluit of handeling op grond van hoofdstuk 5.
Ingevolge artikel 94, eerste lid, stelt de staatssecretaris uiterlijk op de achtentwintigste dag na de bekendmaking van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in de artikelen 6, 58 en 59, de rechtbank hiervan in kennis, tenzij de vreemdeling voordien zelf beroep heeft ingesteld. Het beroep strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Ingevolge het derde lid doet de rechtbank mondeling of schriftelijk uitspraak. De schriftelijke uitspraak wordt binnen zeven dagen na de sluiting van het onderzoek gedaan, welke termijn, in afwijking van artikel 8:66, tweede lid, van de Awb, niet kan worden verlengd.
Ingevolge artikel 95, eerste lid, staat, in afwijking van artikel 84, aanhef en onder a, tegen de uitspraak van de rechtbank, bedoeld in artikel 94, derde lid, hoger beroep open bij de Afdeling.
2. De aangevallen uitspraak is er een, als bedoeld in artikel 96, derde lid, van de Vw 2000, omdat de rechtbank deze uitspraak op die bepaling heeft gebaseerd. Welke grondslag zij had behoren te kiezen, is daarbij niet van belang. Tegen deze uitspraak staat derhalve ingevolge voormeld artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000 geen hoger beroep bij de Afdeling open.
3. De vreemdeling beoogt in zijn enige grief te betogen dat de Afdeling niettemin van het hoger beroep kennis kan nemen omdat de rechtbank aldus een onjuiste grondslag voor haar uitspraak heeft aangewezen. De rechtbank heeft, door het door hem ingestelde beroep op te vatten als gericht tegen het voortduren van de op 11 juli 2013 opgelegde maatregel, miskend dat hem op 12 augustus 2013 een nieuwe maatregel is opgelegd. Tussentijds heeft hij in strafrechtelijke detentie gezeten, aldus de vreemdeling.
3.1. Voor kennisneming van een hoger beroep in weerwil van voormeld artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan ook grond bestaan, indien de rechtbank buiten het bereik van de bepaling of bepalingen, die zij zonder hogere voorziening tegen haar oordeel daarover kan toepassen, is getreden. Niet kan immers worden aanvaard dat een beslissing in eerste rechtelijke instantie, die naar aard en strekking voor hogere voorziening vatbaar is, ten gevolge van een fout of verzuim als hiervoor bedoeld aan een beoordeling door de appelrechter worden onttrokken.
3.2. De vreemdeling is eerder op 11 juli 2013 in bewaring gesteld. Op 5 augustus 2013 is deze bewaring opgeheven en is de vreemdeling strafrechtelijk gedetineerd in verband met de ten uitvoerlegging van een hem opgelegde gevangenisstraf. Bij besluit van 12 augustus 2013 is de vreemdeling aansluitend aan die detentie opnieuw in bewaring gesteld.
De vreemdeling betoogt terecht dat daarom op 12 augustus 2013 sprake was van een nieuwe inbewaringstelling. De rechtbank heeft dit beroep dan ook ten onrechte aangemerkt als een beroep, als bedoeld in artikel 96 vanPro de Vw 2000 en is aldus buiten het bereik getreden van de bepaling die zij zonder hogere voorziening tegen haar oordeel kon toepassen
De Afdeling kan dan ook van het hoger beroep kennisnemen.
3.3. Uit het vorenoverwogene vloeit voorts voort dat het hoger beroep slaagt, het hoger beroep gegrond is en de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Hetgeen de vreemdeling overigens in hoger beroep heeft aangevoerd behoeft geen bespreking.
4. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling als volgt.
4.1. De vreemdeling heeft betoogd dat de rechtbank op zijn (eerdere) beroep tegen de maatregel van bewaring van 11 juli 2013, niet binnen de in artikel 94, derde lid, van de Vw 2000, genoemde termijn uitspraak heeft gedaan. Hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd, valt buiten de omvang van het geding, nu in dit beroep slechts de rechtmatigheid van maatregel van bewaring van 12 augustus 2013 ter beoordeling voorligt.
4.2. Gelet op het voorgaande, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 12 augustus 2013 ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 27 augustus 2013 in zaak nr. 13/20758;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van staat.