ECLI:NL:RVS:2013:1762
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- E. Steendijk
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vermindering boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen na hoger beroep
De zaak betreft een boete van €8.000,00 opgelegd door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan appellante wegens het laten verrichten van arbeid door een Tsjechische vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning. De rechtbank Rotterdam had de boete reeds verminderd tot €7.200,00, maar appellante ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de minister voldoende had aangetoond dat de vreemdeling arbeid had verricht op Nederlands grondgebied en dat de arbeid als ter beschikking stellen van arbeidskrachten moest worden aangemerkt, waarvoor een vergunning vereist was. Wel werd geoordeeld dat de boete onevenredig hoog was, gezien de aanvraag en afgifte van de vergunning kort na de overtreding en het achterwege laten van een arbeidsmarkttoets.
De boete werd daarom met 50% gematigd en vervolgens met 10% verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn. De eerdere uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en de boete vastgesteld op €3.600,00. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.
Uitkomst: De boete wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen wordt verminderd tot €3.600,00 en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.