AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Voorlopige voorziening inzake overgangstermijn bij intrekking vergunningen apotheek Froombosch
Bij besluiten van 22 mei 2012 verleende de minister vergunningen aan verzoekers voor het bereiden en ter hand stellen van geneesmiddelen aan patiënten van een huisartsenpraktijk te Slochteren en omgeving, waaronder Froombosch. Na bezwaar van een derde verklaarde de minister het bezwaar gegrond en trok de vergunningen voor Froombosch met ingang van 20 april en 20 augustus 2013 in. De rechtbank verklaarde het beroep van verzoekers gegrond en vernietigde het intrekkingsbesluit voor Froombosch, waarna de minister opnieuw besloot de vergunningen met ingang van 20 augustus 2013 in te trekken.
Verzoekers stelden beroep in tegen deze besluiten en verzochten om een voorlopige voorziening omdat de minister geen overgangstermijn had gesteld, terwijl zij tijd nodig hadden om patiënten te informeren, overdracht van medicatiedossiers te regelen en aanpassingen in systemen door te voeren. De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde het verzoek op 17 oktober 2013.
De voorzitter oordeelde dat het redelijk is de ingangsdatum van de intrekkingsbesluiten te stellen op 1 januari 2014, zodat verzoekers voldoende tijd krijgen voor de noodzakelijke overgangsmaatregelen. Tevens veroordeelde hij de minister tot vergoeding van de proceskosten en griffierechten van verzoekers. De voorlopige voorziening is niet bindend voor de bodemprocedure.
Uitkomst: De ingangsdatum van de intrekkingsbesluiten is uitgesteld tot 1 januari 2014 en de minister is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitspraak
201308725/2/A3.
Datum uitspraak: 23 oktober 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) hangende de hoger beroepen van:
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Apotheek Sappemeer B.V. en [verzoeker sub 1B], gevestigd onderscheidenlijk wonend te Sappemeer, gemeente Hoogezand-Sappemeer,
2. de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 9 augustus 2013 in zaken nrs. 13/387 en 13/388 in het geding tussen:
[verzoeker rechtbank A], wonend te Kolham, gemeente Slochteren, en
[verzoeker rechtbank B], wonend te Groningen,
verzoekers,
en
de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Procesverloop
Bij besluiten van 22 mei 2012 heeft de minister [verzoeker rechtbank A] en [verzoeker rechtbank B] vergunningen verleend voor het bereiden ten behoeve van en het ter hand stellen van geneesmiddelen aan patiënten van de huisartsenpraktijk die is gevestigd aan de [locatie] te Slochteren. De vergunningen zijn verleend voor Overschild, Siddeburen, Schildwolde en Slochteren en bijbehorende omgeving alsmede Froombosch en Harkstede.
Bij besluiten van 20 februari 2013 heeft de minister het door [verzoeker sub 1B] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de besluiten van 22 mei 2012, voor zover die Froombosch betreffen, met ingang van onderscheidenlijk 20 april en 20 augustus 2013 ingetrokken.
Bij uitspraak van 9 augustus 2013 heeft de rechtbank de door [verzoeker rechtbank A] en [verzoeker rechtbank B] ingestelde beroepen gegrond verklaard, de besluiten van 20 februari 2013, voor zover die Froombosch betreffen, vernietigd en bepaald dat de minister met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen opnieuw een besluit dient te nemen op de door [verzoeker sub 1B] tegen de besluiten van 22 mei 2012 gemaakte bezwaren, voor zover die besluiten Froombosch betreffen.
Tegen deze uitspraak hebben Apotheek Sappemeer, [verzoeker sub 1B] en de minister hoger beroep ingesteld.
Bij besluiten van 20 september 2013 heeft de minister het door [verzoeker sub 1B] tegen de besluiten van 22 mei 2012 gemaakte bezwaar opnieuw gegrond verklaard en die besluiten, voor zover die Froombosch betreffen, met ingang van 20 augustus 2013 ingetrokken.
Tegen deze besluiten hebben [verzoeker rechtbank A] en [verzoeker rechtbank B] beroep ingesteld. Tevens hebben zij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 17 oktober 2013, waar [verzoeker sub 1B], mede als vertegenwoordiger van Apotheek Sappemeer, bijgestaan door mr. B.J.W. Walraven en mr. A.S.D. Lijkwan, beiden advocaat te Rotterdam, [verzoeker rechtbank A] en [verzoeker rechtbank B], bijgestaan door mr. M.E.F. Bots, advocaat te Utrecht, en de minister, vertegenwoordigd door mr. R.G.T. van Wissen en D. Hoogeveen, beiden werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank heeft de minister de besluiten van 20 september 2013 genomen. Deze besluiten worden, gelet op artikel 6:24 vanPro de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van het geding in hoger beroep.
3. Het verzoek om voorlopige voorziening is beperkt tot het ontbreken van een overgangstermijn in de besluiten van 20 september 2013, nu de minister de ingangsdatum van die besluiten heeft gesteld op 20 augustus 2013. [verzoeker rechtbank A] en [verzoeker rechtbank B] hebben uiteengezet dat een overgangstermijn noodzakelijk is, aangezien zij hun patiënten uit Froombosch moeten informeren, die patiënten een keuze voor een apotheek dienen te maken en toestemming dienen te geven voor overdracht van de medicatiedossiers, overdrachtsgesprekken met de betrokken apothekers moeten plaatsvinden en de wijzigingen in computersystemen moeten worden verwerkt.
Gelet op hetgeen ter zitting is besproken en de standpunten die partijen aldaar over de ingangsdatum hebben ingenomen, acht de voorzitter het redelijk dat de ingangsdatum van de besluiten van 20 september 2013 op 1 januari 2014 wordt gesteld.
4. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.
5. De minister dient ten aanzien van [verzoeker rechtbank A] en [verzoeker rechtbank B] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Hierbij is in aanmerking genomen dat de verzoeken van [verzoeker rechtbank A] en [verzoeker rechtbank B] als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 vanPro het Besluit proceskosten bestuursrecht moeten worden beschouwd.
Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening de besluiten van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 20 september 2013, kenmerk DWJZ-2012000576/a en DWJZ-2012000576/b, voor zover daarbij de ingangsdatum op 20 augustus 2013 is gesteld;
II. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de ingangsdatum van de besluiten van 20 september 2013 op 1 januari 2014 wordt gesteld;
III. veroordeelt de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport tot vergoeding van bij [verzoeker rechtbank A] in verband met de behandeling van zijn verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 472,00 (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
veroordeelt de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport tot vergoeding van bij [verzoeker rechtbank B] in verband met de behandeling van haar verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 472,00 (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IV. gelast dat de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan verzoekers het door hen voor de behandeling van de verzoeken betaalde griffierecht ten bedrage van € 239,00 (zegge: tweehonderdnegenendertig euro) voor [verzoeker rechtbank A] en € 239,00 (zegge: tweehonderdnegenendertig euro) voor [verzoeker rechtbank B] vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H. Herweijer, ambtenaar van staat.