ECLI:NL:RVS:2013:1879
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Raad van State tot kennisneming hoger beroep tegen matiging schadevergoeding vreemdelingenbewaring
De vreemdeling werd op 7 september 2013 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring gegrond en kende hem een schadevergoeding toe, die zij matigde tot 50 procent. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State en verzocht tevens om toekenning van schadevergoeding.
De Raad van State overweegt dat op grond van artikel 84, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 geen hoger beroep openstaat tegen uitspraken over de toekenning van schadevergoeding, tenzij het hoger beroep samenhangt met de beoordeling van de bewaring zelf. In dit geval is de bewaring onrechtmatig bevonden en staat alleen de matiging van de vergoeding ter discussie.
De Afdeling bestuursrechtspraak concludeert dat zij kennelijk onbevoegd is om kennis te nemen van het hoger beroep tegen de matiging van de schadevergoeding, omdat dit niet samenhangt met de beoordeling van de bewaring. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd en het hoger beroep wordt niet inhoudelijk behandeld.
Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep tegen de matiging van de schadevergoeding.