Conclusie
CONCLUSIE
Datum conclusie: 12 november 2013
1.Feiten en procesverloop
(zie noot 1)Op 19 januari 2012 hebben zij aanvragen ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000).
relocation agreementsmet het ISH hebben gesloten en dat bovendien vraagtekens kunnen worden geplaatst bij de zekerheid die dergelijke overeenkomsten, ook op langere termijn, bieden.
(zie noot 2)Volgens de vreemdelingen neemt het ISH slechts maatregelen in verband met de risico’s die aan de getuigenissen ten overstaan van het ISH zijn verbonden en verricht het niet een volledige
refoulement-toets.
(zie noot 3)Daarnaast hebben de vreemdelingen betoogd dat de besluiten van 1 augustus 2012 strijdig zijn met de artikelen 25 en 27 van Richtlijn 2005/85/EG (hierna: de Procedurerichtlijn).
(zie noot 4)Voorts hebben zij aangevoerd dat zij, nu zij in Nederland verblijven, in Nederland asiel kunnen verzoeken, ongeacht eventuele bescherming door het ISH.
(zie noot 5)De enkele verwijzing naar de verantwoordelijkheid van het ISH ontslaat de Nederlandse Staat volgens de vreemdelingen niet van de eigen verplichtingen onder artikel 3 van Pro het EVRM. De vreemdelingen hebben erop gewezen dat geen verplichting bestaat een
relocation agreementmet het ISH te sluiten en dat een dergelijke overeenkomst de vrees voor vervolging in het land van herkomst niet wegneemt.
(zie noot 6)Voorts heeft de rechtbank overwogen dat ingevolge artikel 1(A) van het Vluchtelingenverdrag een vreemdeling als vluchteling wordt aangemerkt, indien hij zich buiten het land van herkomst bevindt en niet kan terugkeren vanwege gegronde vrees voor vervolging wegens één van de in dat artikel vermelde vervolgingsgronden, tenzij één van de in artikel 1(C) tot en met (F) van het Vluchtelingenverdrag bedoelde cessation of
exclusion clausesvan toepassing is. Niet in geschil is dat die clausules in het geval van de vreemdelingen niet van toepassing zijn, aldus de rechtbank.
(zie noot 7)Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het Vluchtelingenverdrag niet dat een vreemdeling eerst als vluchteling kan worden beschouwd indien terugkeer naar het land van herkomst aan de orde is, dan wel de betrokken vreemdeling geen bescherming in een derde land kan worden geboden. Dat het ISH heeft toegezegd de vreemdelingen te zullen bijstaan en voor hervestiging in een veilig derde land te zullen zorgdragen, betekent naar het oordeel van de rechtbank daarom niet dat geen gegronde vrees voor vervolging aan de orde is en dat de vreemdelingen niet als vluchtelingen kunnen worden aangemerkt.
(zie noot 8)
(zie noot 9)als het betoog van de vreemdelingen dat de hogerberoepschriften van de staatssecretaris geen grieven bevatten,
(zie noot 10)laat ik hier rusten. Deze aspecten zijn, gelet op inhoud en strekking van het hierna onder 2.2 nader weer te geven verzoek van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, voor de gevraagde conclusie niet relevant.
refoulement: vreemdelingen die gegronde vrees voor vervolging in hun land van herkomst hebben, mogen niet naar dat land worden teruggestuurd.
(zie noot 11)In het geval van de vreemdelingen is een dergelijke vrees echter niet aanwezig, zo betoogt de staatssecretaris, omdat reeds bij hun vertrek uit het land van herkomst duidelijk was dat het ISH hun bescherming zou bieden en dat zij niet naar het land van herkomst zouden behoeven terug te keren.
(zie noot 12)Met de vreemdelingen is volgens de staatssecretaris afgesproken dat hun verblijf in Nederland tijdelijk zou zijn en dat de vreemdelingen zich uiteindelijk in een ander land zouden moeten vestigen. De vreemdelingen krijgen eerst tijdelijke bescherming van het ISH en daarna permanente bescherming van een derde land.
(zie noot 13)De staatssecretaris benadrukt in dit verband dat het ISH in het verleden in alle gevallen erin is geslaagd een veilig derde land te vinden.
(zie noot 14)Bovendien moet volgens de staatssecretaris worden aangenomen dat het ISH zich gebonden acht aan het verbod van
refoulement.
(zie noot 15)Daarnaast wijst de staatssecretaris erop dat de vreemdelingen niet naar Nederland zijn gekomen om bescherming in de zin van het Vluchtelingenverdrag te vragen. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat onder deze omstandigheden niet op grond van het Vluchtelingenverdrag kan worden geëist dat Nederland bescherming biedt.
Victims and Witnesses Unit(hierna: VWU) van het ISH hebben.
(zie noot 16)De staatssecretaris gaat volgens de vreemdelingen eraan voorbij dat de kwaliteit van bescherming die het internationaal vluchtelingenrecht vereist, in beginsel alleen door staten kan worden gewaarborgd.
(zie noot 17)Zij wijzen erop dat uit het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht niet alleen een negatieve verplichting volgt om vluchtelingen niet uit te zetten, maar tevens een positieve verplichting om een bepaalde kwaliteit van bescherming te bieden.
(zie noot 18)De vreemdelingen betogen dat het ISH geen grondgebied en geen (staats)apparaat heeft en daarom geen asiel kan verlenen in de vorm van toekenning van de rechten die uit - onder meer - het Vluchtelingenverdrag voortvloeien. Daarbij komt dat het ISH als internationale organisatie niet aan het Vluchtelingenverdrag is gebonden. Om die reden is het juist in overeenstemming met de ratio van dat verdrag dat Nederland de vreemdelingen bescherming biedt.
(zie noot 19)Verder voeren de vreemdelingen aan dat de hervestiging door het ISH in een derde land alleen op vrijwillige basis kan plaatsvinden en dat zij geen medewerking zullen verlenen aan hervestiging, omdat ze een leven in Nederland willen opbouwen.
(zie noot 20)Daarnaast betogen de vreemdelingen dat de vluchtelingenstatus niet kan worden geacht reeds te zijn geëindigd indien de betrokkene enige mate van bescherming in een ander land heeft gevonden, maar alleen indien naturalisatie heeft plaatsgevonden of één van de uitsluitingsgronden van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is. De vluchtelingenstatus staat, nog steeds volgens de vreemdelingen, los van de vraag of terugkeer naar het land van herkomst aan de orde is.
(zie noot 21)De staatssecretaris heeft in de onderscheiden besluiten van 1 augustus 2012 een buitenwettelijke afwijzingsgrond gehanteerd, aldus de vreemdelingen. Voorts is volgens de vreemdelingen, anders dan de staatssecretaris betoogt, de intentie waarmee zij naar Nederland zijn gekomen bij vaststelling van de vluchtelingenstatus niet van belang.
(zie noot 22)De vreemdelingen bestrijden dat zij met het ISH zouden hebben afgesproken dat hun verblijf hier te lande slechts tijdelijk is.
(zie noot 23)Voorts wijzen zij erop dat het ISH meerdere malen te kennen heeft gegeven dat het ISH getuigen niet het recht kan ontzeggen in Nederland asiel te vragen.
(zie noot 24)Eventuele hervestiging in een derde land is een onzekere toekomstige gebeurtenis, die niet relevant is voor de beoordeling van de asielaanvragen, aldus de vreemdelingen. Daarbij komt, zo betogen de vreemdelingen, dat er geen
relocation agreementszijn gesloten, dat er praktische problemen zijn bij de uitvoering van dergelijke overeenkomsten, dat hervestiging in strijd is met de toepassing van het concept "veilig derde land", omdat er met een dergelijk land een band moet zijn,
(zie noot 25)en dat het ISH landen niet kan dwingen een getuige op te nemen.
(zie noot 26) Relocation agreementsmet het ISH zouden volgens de vreemdelingen overigens niet afdoen aan de op grond van de Vw 2000 en artikel 18 van Pro het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) bestaande verantwoordelijkheid van Nederland om hun asielaanvragen in behandeling te nemen.
(zie noot 27)Voorts is Nederland verplicht te toetsen of de beschermende maatregelen van het ISH in het licht van het internationaal recht en het Unierecht volstaan, aldus de vreemdelingen.
(zie noot 28)
2.Het verzoek om een conclusie
(zie noot 29), Richtlijn 2004/83/EG (hierna: de Definitierichtlijn)
(zie noot 30), de Procedurerichtlijn
(zie noot 31)en de artikelen 29 tot en met 31 van de Vw 2000, zoals nader uitgewerkt in het Vreemdelingenbesluit 2000 en het Voorschrift Vreemdelingen 2000.
- de relatie tussen het ISH en getuigen (onder 3);
- de relevante bepalingen van het Vluchtelingenverdrag (onder 4);
- de relevante bepalingen van het EVRM (onder 5);
- de relevante Unierechtelijke bepalingen (onder 6); en
- de relevante nationale bepalingen (onder 7),
3.ISH en getuigen
Rome Statute of the International Criminal Court(hierna: het Statuut) vormt de juridische basis van het ISH. Het ISH is géén orgaan of agentschap van de Verenigde Naties (hierna: VN); wel is er een band tussen het ISH en de VN in de vorm van een
Negotiated Relationship Agreement. (zie noot 32)
Victims and Witnesses Unit), artikel 48, vierde lid (over privileges en immuniteiten), artikel 54, eerste lid, aanhef en onder b (verplichting van de aanklager om rekening te houden met de belangen van getuigen), artikel 57, derde lid, aanhef en onder c (bevoegdheid van de
Pre-Trial Chamberom in de bescherming van getuigen te voorzien), artikel 64, tweede lid (het verzekeren door de
Trial Chambervan een procesvoering "
with (…) due regard for the protection of (…) witnesses") en zesde lid, aanhef en onder e (bevoegdheid van de
Trial Chamberom in de bescherming van getuigen te voorzien), artikel 68 (
"Protection of the victims and witnesses and their participation in the proceedings"), artikel 87, vierde lid (maatregelen tot bescherming van getuigen in verband met verzoeken om bijstand), artikel 93, eerste lid, aanhef en onder j (door de partijen bij het Statuut te verlenen bijstand in verband met de bescherming van getuigen), en artikel 100, eerste lid, aanhef en onder a (door het ISH te dragen kosten van bescherming van getuigen). De belangrijkste bepaling is die van artikel 68, eerste lid:
- hoofdstuk 2, paragraaf 3, subparagraaf 2 (
"Victims and Witnesses Unit") en hoofdstuk 4, paragraaf 3, subparagraaf 2 (
"Protection of victims and witnesses") van de
Rules of Procedure and Evidence;
- hoofdstuk 3 (
"Responsibilities of the Registrar relating to victims and witnesses") van de
Regulations of the Registry;
- hoofdstuk 3, paragraaf 1, subparagraaf 5 (
"Protective measures") van de
Regulations of the Court;
- de artikelen 26 (
"Witnesses"), 34 (
"Cooperation with the competent authorities"), 38 (
"Visas for witnesses, victims, experts, interns, visiting professionals and other persons required to be present at the seat of the Court") en 43 (
"Security, safety and protection of persons referred to in this Agreement") van de
Headquarters Agreement between the International Criminal Court and the Host State.
necessary measures, is dit in de uiteindelijke tekst van het Statuut gewijzigd in
appropriate measures, waarmee een uitbreiding van de te nemen maatregelen werd beoogd.
(zie noot 33)Of in een bepaald geval maatregelen dienen te worden genomen en, zo ja, welke maatregelen passend zijn, beoordeelt de VWU, waarbij een inschatting wordt gemaakt van de risico’s die de betrokken personen lopen.
(zie noot 34)Eén van de mogelijke maatregelen is hervestiging (ook wel aangeduid als "relocatie") van getuigen in een derde land. Indien voor die optie wordt gekozen, kunnen getuigen zo lang als nodig door de VWU worden gemonitord.
(zie noot 35)
(zie noot 36)Voorts is noch in het Statuut, noch in enige andere regeling uitdrukkelijk bepaald dat het ISH het beginsel van
non-refoulementrespecteert. De niet-ontvankelijkheidsbeslissing van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 4 mei 2000,
Naletilić tegen Kroatië, nr. 51891/99 (
NJCM-Bulletinjrg. 26 (2001), p. 50-57, m.nt. C. Buisman), welke beslissing de staatssecretaris heeft ingeroepen ten betoge dat het ISH zich aan het beginsel van
non-refoulementgebonden zou achten,
(zie noot 37)geeft hierover evenmin uitsluitsel. De genoemde beslissing betrof niet het ISH, maar het Joegoslavië-tribunaal. Bovendien volgt uit die beslissing (en meer in het bijzonder uit de overweging dat het Joegoslavië-tribunaal,
"in view of the content of its Statute and Rules of Procedure, offers all the necessary guarantees including those of impartiality and independence") niet zonder meer dat het Joegoslavië-tribunaal óók is gebonden of zich althans gebonden acht aan het verbod van
refoulement.
non-refoulementrespecteert, heeft het ISH in een eerdere zaak het volgende overwogen:
(zie noot 38)
"non-refoulement"[prohibition of expulsion or return] which is enshrined in several international instruments, including article 33 of the Geneva Convention of 28 July 1951. Admittedly, as an international organisation with a legal personality, the Court cannot disregard the customary rule of
non-refoulement. However, since it does not possess any territory, it is unable to implement the principle within its ordinary meaning, and hence is unlikely to maintain long-term jurisdiction over persons who are at risk of persecution or torture if they return to their country of origin. In the Chamber’s view, only a State which possesses territory is actually able to apply the non-refoulement rule. Furthermore, the Court cannot employ the cooperation mechanisms provided for by the Statute in order to compel a State Party to receive onto its territory an individual invoking this rule. Moreover, it cannot prejudge, in lieu of the Host State, obligations placed on the latter under the non-refoulement principle. In this case, it is therefore incumbent upon the Dutch authorities, and them alone, to assess the extent of their obligations under the non-refoulement principle, should the need arise."
non-refoulement,
(zie noot 39)volgt uit de hiervóór aangehaalde bepalingen wel dat het ISH al hetgeen in zijn macht ligt om
refoulementte voorkomen zal (moeten) verrichten. Dit kan betekenen dat het ISH zo lang als nodig zal zoeken naar een land waar getuigen kunnen worden hervestigd en dat het zélf tot die hervestiging de noodzakelijke bescherming biedt. Dat het ISH in de praktijk, althans in de voorliggende zaken, deze bescherming ook daadwerkelijk biedt, volgt uit de door de rechtbank in rov. 3 van de bestreden uitspraken geciteerde antwoorden van het ISH op vragen van de staatssecretaris.
Rules of Procedure and Evidenceen artikel 96 van Pro de
Regulations of the Registry, zoals het ISH deze bepalingen heeft uitgelegd:
(zie noot 40)
4.Vluchtelingenverdrag
inclusion clauses, is bepaald welke personen in beginsel als vluchtelingen moeten worden aangemerkt. In artikel 1(C) is vastgelegd wanneer een vluchteling ophoudt vluchteling te zijn; dit zijn de zogenoemde
cessation clauses. Tot slot is in artikel 1(D), (E) en (F), de zogenoemde
exclusion clauses, geregeld welke personen niet onder het toepassingsbereik van het Vluchtelingenverdrag vallen. Naar in de doctrine algemeen wordt aangenomen, is de erkenning van de vluchtelingenstatus declaratoir van aard.
(zie noot 41)Dit vindt ook steun in het UNHCR-Handboek,
(zie noot 42)dat weliswaar geen bindende regels voor de uitleg van het Vluchtelingenverdrag bevat (vergelijk ook de jurisprudentie van de Afdeling ter zake, onder meer de uitspraak van 27 oktober 2003 in zaak nr. 200305116/1, ECLI:NL:RVS:2003:AN8454, JV 2003/555 m.nt. BPV), maar wel een belangrijke bron bij de uitleg van dat verdrag vormt.
(zie noot 43)Zowel voor de
inclusion clausesals voor de
cessationen
exclusion clausesgeldt, dat artikel 42 van Pro het Vluchtelingenverdrag ter zake daarvan géén voorbehoud toelaat.
(zie noot 44)als volgt:
(zie noot 45)
"any person who (…) owing to well-founded fear (…) is outside the country of his nationality and is unable or, owing to such fear, is unwilling to avail himself of the protection of that country", mag niet zo worden uitgelegd dat voor de vluchtelingenstatus is vereist dat de bedoelde vrees ook aan het vertrek van betrokkene uit zijn land van herkomst ten grondslag heeft gelegen. Naar moet worden aangenomen, heeft de definitiebepaling mede betrekking op de vluchteling "sur place", dat wil zeggen de persoon
"who was not a refugee when he left his country, but who becomes a refugee at a later date".
(zie noot 46)Dat blijkt ook hieruit, dat artikel 1(C), welke bepaling betrekking heeft op het eindigen van de toepasbaarheid van het Verdrag
"to any person falling under the terms of Section A"(de
cessation clauses), onder 4 spreekt van een vrijwillige hervestiging van een zodanige persoon in het land
"which he left or outside which he remained owing to fear of persecution". Bij die stand van zaken kan de definitiebepaling evenmin aldus worden uitgelegd dat voor een erkenning als vluchteling is vereist dat de betrokkene met de vooropgezette bedoeling van een asielaanvraag is gereisd naar het land waar hij die erkenning vraagt.
(zie noot 47)verwijst onmiskenbaar naar de gegronde vrees die de betrokkene zijn land van herkomst heeft doen ontvluchten en/of die het hem onmogelijk maakt naar dat land terug te keren en zich van de bescherming van dat land te verzekeren. Gedwongen terugzending die hem daadwerkelijk aan de gevreesde vervolging zou blootstellen, is (uiteraard) het ergste wat de betrokkene kan overkomen. Een essentieel element van de internationale bescherming die aan vluchtelingen wordt geboden, is dan ook het in artikel 33, eerste lid, neergelegde verbod van
refoulement:
(zie noot 48)
refoulementdie de vluchteling tot vluchteling maakt. Het is de vrees voor hetgeen waaraan hij zal worden blootgesteld
alshij (al dan niet gedwongen) in zijn land van herkomst terugkeert en waarvoor het verbod van
refoulementhem beoogt te behoeden.
refoulementomvat, maar zeker niet tot dat verbod is beperkt. In de definitiebepaling ligt besloten dat vreemdelingen van het land van herkomst zijn "afgesneden", ook in die zin dat zij zich niet langer van de juridische en sociaaleconomische bescherming van dat land kunnen verzekeren. Tegen die achtergrond beoogt het Vluchtelingenverdrag blijkens de voorzieningen van de hoofdstukken II (
"Juridical status"), III (
"Gainful employment") en IV (
"Welfare") mede de (van de bescherming van zijn land van herkomst verstoken) vluchteling minimumaanspraken (en in bepaalde gevallen gelijke aanspraken als nationale onderdanen) jegens de lidstaat van verblijf te verlenen. Dat aan internationale bescherming geen behoefte bestaat in situaties waarin
refoulementniet aan de orde is en dat in dergelijke situaties een vluchtelingenstatus onbestaanbaar is, kan dan ook niet worden aanvaard. Ook (en juist) in situaties waarin wordt aanvaard dat van een (gedwongen) terugkeer naar het land van herkomst geen sprake kan zijn (en waarin de vreemdeling noodgedwongen gedurende langere tijd buiten het land van herkomst zal moeten verblijven), behoeft de vreemdeling juridische en sociaaleconomische bescherming in zijn bestaan buiten het land van herkomst, op welke bescherming de vluchtelingenstatus hem eveneens aanspraak geeft.
(zie noot 49)Daarmee acht ik in overeenstemming dat in artikel 1(C) van het Vluchtelingenverdrag, waarin limitatief is opgesomd in welke gevallen een vluchteling ophoudt vluchteling te zijn (de
cessation clauses) en dat restrictief moet worden uitgelegd,
(zie noot 50)niet is voorzien in een beëindiging van de toepasselijkheid van het Verdrag, op de enkele grond dat de vluchteling voldoende zekerheid heeft verkregen dat (althans) het beginsel van
non-refoulementjegens hem zal worden geëerbiedigd. Weliswaar spreekt de bepaling van artikel 1(C), aanhef en onder 5, van een situatie waarin
"the circumstances in connexion with which he has been recognized as a refugee have ceased to exist", maar met die omstandigheden wordt onmiskenbaar gedoeld op omstandigheden op grond waarvan vrees voor vervolging als bedoeld in artikel 1(A) bij terugkeer in het land van herkomst (en niet vrees voor
refoulement) aannemelijk was.
cessation of exclusion clausesvan artikel 1(C) respectievelijk (D) en (E).
cessation clausesbetreft, is vooral van belang dat de toepasselijkheid van het Verdrag een einde neemt als de vreemdeling een nieuwe nationaliteit heeft verworven en de bescherming van het land van zijn nieuwe nationaliteit geniet (artikel 1(C), aanhef en onder 3). Weliswaar zou de door het ISH geboden bescherming in een dergelijke situatie kunnen uitmonden, maar in de onderhavige zaken is daarvan nog geen sprake.
exclusion clausesbetreft, is van belang dat in artikel 1(E) toepasselijkheid van het Verdrag is uitgesloten ten aanzien van vreemdelingen die in het verblijfsland weliswaar geen formeel burgerschap genieten, maar aan wie krachtens erkenning door de bevoegde autoriteiten gelijke rechten en verplichtingen als aan nationale onderdanen toekomen (
"national refugees"). Deze uitsluiting kan weliswaar in verband worden gebracht met het ontbreken van een noodzaak van internationale bescherming,
(zie noot 51)maar een beschermingsniveau zoals in deze bepaling omschreven kan door het ISH niet worden geboden. Weliswaar zou de bescherming door het ISH tot een situatie zoals hier bedoeld kunnen leiden, maar ook daarvan is in de onderhavige zaken nog geen sprake.
When such protection or assistance has ceased for any reason, without the position of such persons being definitively settled in accordance with the relevant resolutions adopted by the General Assembly of the United Nations, these persons shall
ipso factobe entitled to the benefits of this Convention."
"at present")bescherming of bijstand van organen of agentschappen van de VN krijgen.
(zie noot 52)Het ISH is evenwel geen orgaan van de VN (zie hiervoor onder 3.1). Noch de totstandkomingsgeschiedenis van het Vluchtelingenverdrag, waaruit kan worden afgeleid dat is gedacht aan organisaties als de voormalige
Korean Reconstruction Agency(UNKRA) en de
United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East(UNRWA),
(zie noot 53)noch de doctrine biedt steun aan het standpunt dat artikel 1(D) analoog zou kunnen worden toegepast op personen die bescherming door (tussenkomst van) andere internationale organisaties, zoals het ISH, genieten.
(zie noot 54)Nu het hier een uitzonderingsbepaling betreft, op grond waarvan personen van de werking van het Vluchtelingenverdrag worden uitgesloten, ligt, evenals ten aanzien van de overige
exclusion clauses,
(zie noot 55)een restrictieve, grammaticale uitleg voor de hand.
(zie noot 56)Daarbij komt dat het ISH weliswaar is gehouden getuigen passende bescherming te bieden en dat het, naar eigen zeggen, in alle gevallen erin is geslaagd getuigen in een veilig derde land onder te brengen, maar dat de meer bemiddelende rol van het ISH niet zonder meer vergelijkbaar is met de activiteiten van de in artikel 1(D) bedoelde organen en agentschappen van de VN. Ook daarom kan van analoge toepassing van artikel 1(D) naar mijn mening geen sprake zijn.
(zie noot 57)Anderzijds verbiedt het Vluchtelingenverdrag niet dat een verdragspartij een vluchteling naar een veilig derde land verwijdert;
(zie noot 58)een vluchteling kan niet kiezen welk land hem bescherming verleent.
(zie noot 59)
(zie noot 60)
5.EVRM
(zie noot 61)kan ook uit artikel 3 van Pro het EVRM een verbod van
refoulementworden afgeleid: de bepaling verbiedt volgens vaste jurisprudentie van het EHRM (zie reeds het arrest van 7 juli 1989,
Soering tegen het Verenigd Koninkrijk, nr. 14038/88, ECLI:NL:XX:1989:AB9902, NJ 1990/158 m.nt. EAA) verwijdering van een vreemdeling naar een land waar hij aan een behandeling als bedoeld in dat artikel wordt blootgesteld. Ik wijs erop dat het aldus in het artikel 3 van Pro het EVRM besloten liggende verbod van
refoulement, anders dan de vluchtelingenstatus waaraan het verbod van
refoulementvan artikel 33, eerste lid, van het Vluchtelingenverdrag is verbonden, absoluut is en geen uitzonderingen kent.
(zie noot 62)
Waite en Kennedy tegen Duitsland, nr. 26083/94, ECLI:NL:XX:1999:AL2027, JB 1999/162 m.nt. AWH, in het bijzonder punt 67) niet dat verdragspartijen van hun verantwoordelijkheden op basis van het EVRM zijn ontheven.
(zie noot 63)
(zie noot 64)Bovendien legt het EVRM, zo heeft het EHRM bevestigd (niet-ontvankelijkheidsbeslissing van 15 september 2005,
Bonger tegen Nederland, nr. 10154/04, ECLI:NL:XX:2005:AU9979, JV 2006/33 m.nt. BPV), verdragspartijen geen verplichting op om een verblijfsvergunning te verlenen; het EVRM impliceert evenmin als het Vluchtelingenverdrag een recht op asiel.
(zie noot 65)
6.Unierecht
cessationen
exclusion clausesvan het Vluchtelingenverdrag.
non-refoulementmet inachtneming van hun internationale verplichtingen.
refoulement, zoals nader bepaald in de Definitierichtlijn, niet naar hun land van herkomst mogen worden uitgezet, een verblijfstitel krijgen.
(zie noot 66)
"(h)et recht op asiel is gegarandeerd met inachtneming van de voorschriften van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en het Protocol van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen, en overeenkomstig het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (…)". Hoewel de inhoud van "het recht op asiel" niet volledig helder is, lijkt onder "asiel" te moeten worden verstaan een duurzame oplossing voor personen die internationale bescherming behoeven.
(zie noot 67)Dit betekent niet dat een lidstaat in voorkomende gevallen steeds zélf asiel dient te verlenen; dat het recht op asiel moet zijn gegarandeerd, impliceert de mogelijkheid dat een lidstaat een vluchteling uitzet naar een andere lidstaat die of een derde land dat het recht op asiel waarborgt.
(zie noot 68)Een en ander doet overigens niet af aan de regeling zoals die uit het secundaire Unierecht (de Definitierichtlijn en de hierna nog te bespreken Dublin-verordening en de Procedurerichtlijn) voortvloeit.
"Niet-ontvankelijke asielverzoeken"), tweede lid, aanhef en onder a tot en met e, van de Procedurerichtlijn luidt als volgt:
a) een andere lidstaat de vluchtelingenstatus heeft toegekend;
b) een land dat geen lidstaat is, ingevolge artikel 26 voor Pro de asielzoeker als eerste land van asiel wordt beschouwd;
c) een land dat geen lidstaat is, uit hoofde van artikel 27 voor Pro de asielzoeker als veilig derde land wordt beschouwd;
d) het de asielzoeker om een andere reden is toegestaan in de betrokken lidstaat te verblijven en hem als gevolg hiervan een status is verleend die gelijkwaardig is aan de rechten en voordelen van de vluchtelingenstatus uit hoofde van Richtlijn 2004/83/EG;
e) het de asielzoeker is toegestaan in de betrokken lidstaat te verblijven om andere redenen die hem beschermen tegen refoulement en in afwachting van de uitkomst van een procedure waarbij een status wordt verleend overeenkomstig het bepaalde onder d);
(…)"
(zie noot 69)Een dergelijke situatie doet zich in de onderhavige zaken niet voor.
"Het begrip eerste land van asiel") van de Procedurerichtlijn is het volgende bepaald:
a) de asielzoeker in dat land is erkend als vluchteling en hij die bescherming nog kan genieten, of
b) hij anderszins voldoende bescherming geniet in dat land, met inbegrip van het genot van het beginsel van non-refoulement, mits hij opnieuw tot het grondgebied van dat land wordt toegelaten.
Bij de toepassing van het begrip „eerste land van asiel" op de bijzondere omstandigheden van een asielzoeker kunnen de lidstaten rekening houden met artikel 27, lid 1."
"Het begrip "veilig derde land""), eerste en tweede lid, van de Procedurerichtlijn luidt als volgt:
a) het leven en de vrijheid worden niet bedreigd om redenen van ras, religie, nationaliteit, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging, en
b) het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het Verdrag van Genève wordt nageleefd, en
c) het verbod op verwijdering in strijd met het recht op vrijwaring tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling, zoals neergelegd in het internationaal recht, wordt nageleefd, en
d) de mogelijkheid bestaat om om de vluchtelingenstatus te verzoeken en, indien hij als vluchteling wordt erkend, bescherming te ontvangen overeenkomstig het Verdrag van Genève.
2. De toepassing van het begrip „veilig derde land" is onderworpen aan nationale wettelijke voorschriften, waaronder:
a) voorschriften waarbij een band tussen de asielzoeker en het betrokken derde land wordt vereist op grond waarvan het voor de betrokkene redelijk zou zijn naar dat land te gaan;
b) voorschriften betreffende de methode met behulp waarvan de bevoegde autoriteiten zich ervan vergewissen dat het begrip „veilig derde land" op een bepaald land of een bepaalde asielzoeker kan worden toegepast. Een dergelijke methode dient onder meer te bestaan uit een veiligheidsstudie per land voor een bepaalde asielzoeker en/of een nationale vaststelling van de landen die worden beschouwd als zijnde over het algemeen veilig;
c) voorschriften overeenkomstig de internationale wetgeving die voorzien in een afzonderlijke studie om na te gaan of het betrokken derde land voor een bepaalde asielzoeker veilig is; deze voorschriften moeten ten minste de asielzoeker in staat stellen de toepassing van het begrip „veilig derde land" aan te vechten op grond van het feit dat hij zou worden blootgesteld aan foltering, wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing."
7.Nationaal recht
b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan:
1° doodstraf of executie;
2° folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of
3° ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict;
(…)"
(zie noot 70)Aldus hebben de vluchtelingenstatus onderscheidenlijk de subsidiaire-beschermingsstatus ook nationaalrechtelijk hun beslag gekregen.
(zie noot 71)
a. er goede redenen bestaan om de vreemdeling te beschouwen als een gevaar voor de nationale veiligheid; of
b. de vreemdeling bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis veroordeeld is voor een bijzonder ernstig misdrijf en een gevaar vormt voor de gemeenschap."
a. de vreemdeling een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft gepleegd, zoals gedefinieerd in de internationale instrumenten waarmee wordt beoogd regelingen te treffen ten aanzien van dergelijke misdrijven;
b. de vreemdeling een ernstig misdrijf heeft gepleegd;
c. de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan daden die in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties als vervat in de preambule en de artikelen 1 en 2 van het Handvest van de Verenigde Naties;
d. de vreemdeling een gevaar vormt voor de gemeenschap of de nationale veiligheid; of
e. de vreemdeling heeft aangezet tot of anderszins heeft deelgenomen aan de onder a tot en met c vermelde misdrijven of daden,
in welk geval verlening van evenbedoelde verblijfsvergunning op voormelde grond wordt geweigerd."
"Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan Pro worden verleend (…)") op het eerste gezicht facultatief van aard is, in die zin dat de staatssecretaris wel bevoegd doch niet verplicht is een verblijfsvergunning te verlenen aan een vreemdeling die aan het in die onderdelen bepaalde voldoet, werpen de artikelen 3.105b en 3.105e van het Vb 2000, evenals artikel 24 van Pro de Definitierichtlijn, daarop een ander licht. Uit die artikelen volgt immers dat de staatssecretaris, behoudens in een aantal limitatief opgesomde gevallen, verplicht is een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen aan een vreemdeling aan wie de vluchtelingenstatus of subsidiaire-beschermingsstatus toekomt.
(zie noot 72)In de nota van toelichting bij de wijziging van - onder meer - het Vb 2000 ter implementatie van de Definitierichtlijn is bij artikel 3.105b van het Vb 2000 toegelicht dat, indien sprake is van een andere, niet opgesomde omstandigheid, geen bevoegdheid bestaat een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te weigeren aan een vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij vluchteling is; deze vergunning zal dus moeten worden verleend, aldus vermeldt de toelichting.
(zie noot 73)
(zie noot 74)
(…)
d. de vreemdeling op grond van een verdragsverplichting tussen Nederland en een ander land zal worden overgedragen aan dat land van eerder verblijf, terwijl dat land partij is bij het Vluchtelingenverdrag, het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Trb. 1951, 154) en het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (Trb. 1985, 69), dan wel zich anderszins heeft verplicht artikel 33 van Pro het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 3 van Pro het Verdrag tegen foltering en andere wrede onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, na te leven."
(…)
h. de vreemdeling heeft verbleven in een derde land dat partij is bij het Vluchtelingenverdrag en één van de in artikel 30, onder d, bedoelde verdragen en de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat het die verdragsverplichtingen ten aanzien van hem niet nakomt;
i. de vreemdeling in een land van eerder verblijf zal worden toegelaten totdat hij elders duurzame bescherming zal hebben gevonden;
(…)"
(zie noot 75)
(zie noot 76)
In dit verband zij gewezen op regel 16 van het Reglement van Proces- en Bewijsvoering. Dit voorziet in de mogelijkheid van zogenoemde relocation agreements tussen het Strafhof en derde-landen. Hierbij komen getraumatiseerde of bedreigde slachtoffers, getuigen en anderen die aangeven door hun getuigenis gevaar te lopen, door tussenkomst van het Strafhof in aanmerking voor hervestiging in een bepaald land. Het Joegoslaviëtribunaal maakt van dergelijke overeenkomsten gebruik en het ligt voor de hand dat het Strafhof dat ook voor zijn getuigen zal doen. Dit zal uiteraard de noodzaak van asielaanvragen bij Nederland en van asielverlening verminderen. In dit verband zij voorts nog vermeld dat in de praktijk van het Joegoslaviëtribunaal slechts hoogst zelden door bijvoorbeeld een getuige een asielverzoek aan Nederland is gedaan."
8.Beantwoording van de gestelde vraag
in het gevaldat zij naar hun land van herkomst terugkeren. Indien de vreemdelingen aan de voorwaarden van artikel 1(A) van het Vluchtelingenverdrag voldoen en niet binnen het bereik van artikel 1(C) tot en met (F) vallen, genieten zij de vluchtelingenstatus.
refoulementis beperkt. Met dit laatste is ook in overeenstemming dat, gelet op de limitatief in het Vluchtelingenverdrag opgesomde
cessation clauses, voor het eindigen van de vluchtelingenstatus ontoereikend is dat
refoulementniet (meer) aan de orde is. Voor een analoge toepassing van de
cessation clausesis geen ruimte, nu deze
clauses, als uitzonderingen op de aanspraak op een vluchtelingenstatus, restrictief moeten worden geïnterpreteerd.
exclusion clausesvan het Vluchtelingenverdrag geldt dat zij restrictief moeten worden uitgelegd. Dat is in het bijzonder van belang met het oog op de bepaling van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag, welke bepaling personen onder bescherming van andere organen en agentschappen van de VN dan de UNHCR van toepassing van het Vluchtelingenverdrag uitsluit. In die (restrictief op te vatten) bepaling kan mijns inziens geen bevestiging worden gevonden voor de gedachte dat naar de ratio van het Vluchtelingenverdrag óók bescherming zoals geboden door het ISH aan de vluchtelingenstatus in de weg staat. Het ISH is geen orgaan of agentschap van de VN, terwijl een analoge toepassing van de exclusion clauses op de restrictieve uitleg daarvan afstuit.
Bovendien zie ik voor een analoge toepassing van art. 1(D) onvoldoende feitelijke grondslag. De bepaling heeft betrekking op de bescherming en de bijstand zoals die werden geboden door de voormalige
Korean Reconstruction Agency(UNKRA) en zoals die nog steeds worden geboden door de
United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East(UNRWA).
(zie noot 77)Weliswaar houdt het UNHCR-Handboek de mogelijkheid open dat
"(t)here could be other similar situations in the future". Nog daargelaten of zulke situaties überhaupt binnen het bereik van artikel 1(D) vallen vanwege de temporele beperking die mogelijk in de woorden
"at present"ligt besloten,
(zie noot 78)kan de meer bemiddelende rol van het ISH bij de bescherming van getuigen echter niet als
"similar"gelden ten opzichte van de activiteiten van organisaties als UNKRA en UNRWA, die dankzij hun middelen en presentie ter plaatse tot daadwerkelijke verlening van bescherming en bijstand in staat zijn.
exclusion clausevan artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag, overigens zeer betrekkelijk. Dat sprake kan zijn van bescherming en bijstand door een andere entiteit dan een staat, is blijkens artikel 1(D) immers onder ogen gezien, maar heeft tot geen verdere uitsluiting geleid dan van personen die bescherming genieten van andere organen of agentschappen van de VN dan de UNHCR.
Alhoewel de staatssecretaris zich daarop niet uitdrukkelijk heeft beroepen, is althans in zoverre wel sprake van een bijzondere situatie, dat de behoefte aan bescherming waarin het ISH tracht te voorzien, niet los kan worden gezien van het functioneren van het ISH. Het is immers de door hen verleende (en voor een goed functioneren van het ISH onontbeerlijke) medewerking die personen die als getuigen voor het ISH optreden, (extra) kwetsbaar maakt, terwijl, zoals in de voorgaande beschouwingen al aan de orde kwam, het ISH zich de bescherming van die getuigen juist ook in zoverre aantrekt. Beschouwt men de hier bedoelde behoefte aan bescherming als de prijs voor een goed functioneren van het ISH, dan rijst de vraag of het voor de hand ligt dat de aan die bescherming verbonden lasten uitsluitend of vooral op de
host Statevan het ISH drukken. De inspanningen van het ISH, dat zich de bescherming van getuigen aantrekt, kunnen tegen die achtergrond mede worden beschouwd als een terecht en positief te waarderen streven de lasten van die bescherming gelijkelijk over alle verdragspartijen te verdelen. Dit alles rechtvaardigt echter niet dat de aanspraken die de betrokken getuigen aan geldend internationaal en nationaal recht kunnen ontlenen, met een beroep op de ratio van het Vluchtelingenverdrag worden ingekort.
9.Conclusie
Staatsraad Advocaat-Generaal