ECLI:NL:RVS:2013:1946
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.M. van Meurs-Heuvel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing toevoeging voor civiele procedure na faillissement
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de afwijzing van zijn aanvraag om toevoeging voor rechtsbijstand door de raad voor rechtsbijstand. De aanvraag had betrekking op een civiele procedure tegen de Bloembollenkeuringsdienst en de Rabobank vanwege vermeend onrechtmatig handelen in de afwikkeling van het faillissement van het voormalige bedrijf van appellant.
De raad wees de aanvraag af omdat het rechtsbelang voortvloeit uit de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf dat niet langer wordt uitgeoefend, wat volgens artikel 12, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wet op de rechtsbijstand niet tot toevoeging leidt. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt deze uitspraak.
Appellant voerde aan dat het rechtsbelang niet lag in de uitoefening van een beroep of bedrijf, maar in het onrechtmatig handelen van de tegenpartijen en dat hij als privépersoon werd aangesproken. Dit werd verworpen omdat het geschil onlosmakelijk verbonden is met het faillissement van zijn voormalige bedrijf. Ook het beroep op Europese richtlijnen voor slachtoffers van strafbare feiten faalde, omdat het hier een civiele procedure betreft.
De Afdeling oordeelt dat de aanvraag terecht is afgewezen en bevestigt de eerdere uitspraak zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de toevoeging voor rechtsbijstand in de civiele procedure.