ECLI:NL:RVS:2013:2
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H. Troostwijk
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende aannemelijkheid vrees voor Armeense autoriteiten
De minister voor Immigratie en Asiel heeft op 13 april 2011 de aanvragen van drie vreemdelingen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. De vreemdelingen stelden beroep in bij de rechtbank 's-Gravenhage, die op 23 februari 2012 de besluiten vernietigde en de minister opdroeg nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van haar overwegingen.
De minister, inmiddels staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De kern van het geschil betrof de motivering van de besluiten, met name of de vreemdelingen voldoende aannemelijk hadden gemaakt dat zij vreesden voor negatieve aandacht van de Armeense autoriteiten bij terugkeer.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de motivering ondeugdelijk was omdat de staatssecretaris meer gronden had aangevoerd dan alleen het tijdsverloop sinds vertrek uit Armenië. De Raad stelde vast dat de staatssecretaris aannemelijk had gemaakt dat de vreemdelingen zelf niet het doelwit waren geweest van de Armeense autoriteiten en dat de verstreken tijd sinds de laatste incidenten (1999) en het vertrek uit Armenië (2000) relevant was.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond. De beroepen van de vreemdelingen tegen de besluiten werden ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de beroepen van de vreemdelingen tegen de afwijzing van hun verblijfsvergunningen worden ongegrond verklaard.