AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging afwijzing toevoeging advocaat niet ingeschreven voor strafzaken
De zaak betreft het hoger beroep van een appellant tegen de afwijzing door de Raad voor Rechtsbijstand van haar aanvraag tot toevoeging van een advocaat die weliswaar als advocaat staat ingeschreven, maar niet voor rechtsbijstand in strafzaken. De Raad had de aanvraag afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde deze afwijzing, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De kern van het geschil is of de Raad voor Rechtsbijstand verplicht is om toevoeging te verlenen aan een advocaat die niet is ingeschreven voor strafzaken, mede gelet op het recht op een eigen advocaat zoals neergelegd in artikel 6 EVRMPro en artikel 37 SvPro. De Raad van State overweegt dat de wetgever in de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) heeft bepaald dat alleen ingeschreven advocaten toevoeging kunnen krijgen en dat de Raad regels kan stellen aan de inschrijving, waaronder deskundigheidsvereisten voor strafzaken.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het recht op keuze van een eigen advocaat binnen kosteloze rechtsbijstand niet absoluut is en dat het waarborgen van effectieve rechtsbijstand betekent dat toevoeging kan worden geweigerd als de advocaat niet voldoet aan de inschrijvingsvoorwaarden. De afwijzing wordt daarom bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de toevoeging bevestigd.
Uitspraak
201301445/1/A2.
Datum uitspraak: 20 november 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 januari 2013 in zaak nr. 12/8378 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Raad voor Rechtsbijstand (lees: het bestuur van de raad voor rechtsbijstand; hierna: de raad).
Procesverloop
Bij besluit van 12 maart 2012 heeft de raad een aanvraag van [appellante] om een toevoeging afgewezen.
Bij besluit van 12 juli 2012 heeft de raad het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 januari 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 november 2013, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. K. Achefai, werkzaam bij de raad, is verschenen.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 6, derde lid, aanhef en onder c, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) heeft een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, in het bijzonder het recht zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen.
Ingevolge artikel 37 vanPro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) worden slechts in Nederland ingeschreven advocaten als raadslieden toegelaten.
Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: Wrb) wordt rechtsbijstand verleend door door het bestuur ingeschreven advocaten.
Ingevolge artikel 14 wordenPro alle in Nederland kantoor houdende advocaten die daartoe een aanvraag hebben ingediend, door de raad ingeschreven indien zij voldoen aan de in artikel 15 bedoeldePro voorwaarden. De raad kan regels stellen met betrekking tot deze voorwaarden.
Ingevolge artikel 15, aanhef en onder b, kunnen de door de raad te stellen regels met betrekking tot de voorwaarden betrekking hebben op de deskundigheid van de advocaat op bepaalde rechtsgebieden.
Ingevolge artikel 16 kanPro de raad in bijzondere gevallen beslissen dat rechtsbijstand zal worden verleend door een niet ingeschreven advocaat. Als bijzonder geval kan worden aangemerkt
a. de uitdrukkelijke en gemotiveerde wens van de rechtzoekende, door een bepaalde advocaat te worden bijgestaan;
b. […].
Ingevolge artikel 6 vanPro de Inschrijvingsvoorwaarden advocatuur 2010 krachtens de Wrb (hierna: de Inschrijvingsvoorwaarden) stelt de raad ten aanzien van vier rechtsgebieden bijzondere deskundigheidsvereisten in. Het betreft hier rechtsgebieden die ofwel specialistische kennis vereisen, ofwel vereisen dat de advocaat zich verdiept in en beperkt tot een aantal samenhangende rechtsgebieden. De inschrijving op deze rechtsgebieden moet worden aangevraagd door middel van een afzonderlijk formulier. De gestelde vereisten gelden voor de toelating dan wel de voortzetting van de inschrijving.
Ingevolge artikel 6a gelden deskundigheidsvereisten voor de rechtsbijstandverlening in strafzaken.
2. [appellante] heeft de raad gevraagd om toevoeging van advocaat mr. R.K. van der Brugge (hierna: de advocaat) ten behoeve van het instellen van beroep in cassatie in een strafzaak. Zij heeft de raad daarbij uitdrukkelijk verzocht toepassing te geven aan artikel 16, aanhef en onder a, van de Wrb.
Bij het besluit van 12 juli 2007 heeft de raad de afwijzing van die aanvraag gehandhaafd. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat de advocaat weliswaar staat ingeschreven, maar niet voor de verlening van rechtsbijstand in strafzaken. Voor de toepassing van de hardheidsclausule, als bedoeld in artikel 16, aanhef en onder a, van de Wrb, is volgens hem geen plaats, omdat deze uitsluitend van toepassing is op advocaten die geheel niet zijn ingeschreven.
De rechtbank heeft dat standpunt gevolgd.
3. [appellante] betoogt tevergeefs dat de raad ten onrechte niet heeft getoetst of aanleiding bestond toepassing te geven aan de wettelijke hardheidsclausule. De rechtbank heeft de raad terecht gevolgd in het standpunt dat uitsluitend toepassing kan worden gegeven aan de hardheidsclausule, indien de aanvraag om toevoeging een niet-ingeschreven advocaat betreft, hetgeen niet het geval is.
4. [appellante] betoogt dat de afwijzing van zijn aanvraag in strijd is met artikel 37 SvPro. Ingevolge dat artikel wordt in strafzaken uitsluitend door advocaten rechtsbijstand verleend. Dit betekent volgens [appellante] dat alle advocaten in Nederland, dus ook als zij niet bij de raad zijn ingeschreven, bekwaam moeten worden geacht rechtsbijstand in strafzaken te verlenen. De wetgever heeft niet bepaald dat advocaten slechts rechtsbijstand mogen verlenen als zij bij de raad staan ingeschreven en voldoen aan de door deze gestelde voorwaarden. Verder is de afwijzing volgens [appellante] in strijd met het in artikel 6, derde lid, aanhef en onder c, van het EVRM neergelegde recht om een eigen advocaat te kiezen.
4.1. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellante] aldus, dat de rechtbank heeft miskend dat de raad, gelet op het bepaalde in artikel 37 SvPro en artikel 6, derde lid, aanhef en onder c, van het EVRM, aanleiding had moeten zien artikel 13 vanPro de Wrb buiten toepassing te laten.
Anders dan [appellante] stelt, heeft de wetgever in de artikelen 13 tot en met 15 van de Wrb bepaald dat advocaten, indien zij gesubsidieerde rechtsbijstand verlenen, bij de raad moeten zijn ingeschreven en dat aan de inschrijving voorwaarden kunnen worden gesteld. Indien om toevoeging van een advocaat wordt gevraagd die niet bij de raad staat ingeschreven, dient de raad die aanvraag af te wijzen. Het bepaalde in artikel 37 SvPro staat daar niet aan in de weg.
Dat geldt ook voor het bepaalde in artikel 6, derde lid, aanhef en onder c, van het EVRM. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld uitspraak van 20 juli 2005 in zaak nr. 200408565/1), is het recht om een advocaat te kiezen in geval van kosteloze rechtsbijstand niet absoluut. Het recht op verdediging moet effectief zijn. Nu [appellante] zich had kunnen doen bijstaan door een advocaat die bij de raad voor rechtsbijstandverlening in strafzaken stond ingeschreven, is daaraan voldaan.
De rechtbank heeft derhalve terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de raad artikel 13 vanPro de Wrb buiten toepassing had moeten laten.
Het betoog faalt.
5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Krokké, ambtenaar van staat.