ECLI:NL:RVS:2013:2217
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning en inreisverbod vreemdeling
Bij besluit van 27 augustus 2012 wees de minister de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd af en legde hem een vertrektermijn van vier weken op. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit ongegrond. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Daarnaast vaardigde de minister op 25 september 2012 een besluit uit waarin de vreemdeling werd opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod werd opgelegd. De vreemdeling stelde ook hiertegen beroep in. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep tegen het terugkeerbesluit mede het beroep tegen het inreisverbod omvat, maar dat de mededeling tot onmiddellijke vertrekopdracht geen zelfstandig besluit is waartegen beroep mogelijk is.
De vreemdeling voerde aan dat het inreisverbod strijdig was met Europese richtlijnen en onvoldoende gemotiveerd, maar deze gronden werden verworpen omdat de richtlijn niet op het inreisverbod van toepassing is en de staatssecretaris de motivering als deugdelijk beoordeelde. De Afdeling verklaarde het hoger beroep kennelijk ongegrond en bevestigde het eerdere vonnis van de voorzieningenrechter.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd, met onbevoegdheid voor het deel over onmiddellijke vertrekopdracht.