ECLI:NL:RVS:2013:2274
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- G. van der Wiel
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boetes voor overtreding Wet arbeid vreemdelingen ondanks betwisting werkgeverschap en matiging
De minister legde aan appellanten elk een boete van €80.000 op wegens het laten verrichten van arbeid door tien vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning, in strijd met artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav).
Appellanten voerden aan dat appellant sub 1 niet als werkgever kon worden aangemerkt omdat zij slechts als agent handelde namens appellant sub 2, de eigenaar van het schip waarop de werkzaamheden plaatsvonden. De Raad overwoog echter dat het feitelijk werkgeverschap volgens de Wav ruim wordt geïnterpreteerd en dat appellant sub 1 zelfstandige taken en beslissingsbevoegdheden had, waardoor zij mede als werkgever moet worden beschouwd.
Verder betoogden appellanten dat de boete aan appellant sub 1 gematigd moest worden omdat appellant sub 2 haar contractueel moest vrijwaren, wat zou leiden tot een dubbele boete en onevenredigheid. De Raad verwierp dit, stellende dat de minister een discretionaire bevoegdheid heeft die proportioneel moet worden toegepast, maar dat doorbelasting op basis van contractuele afspraken geen reden is voor matiging.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De boetes van €80.000 per appellant wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen worden bevestigd.