ECLI:NL:RVS:2013:2290
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling in vreemdelingenbewaring: onvoldoende voortvarendheid staatssecretaris bij uitzetting
De vreemdeling werd op 11 oktober 2013 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit ongegrond en wees zijn verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de voortvarendheid van de staatssecretaris bij de voorbereiding van de uitzetting. De vreemdeling stelde dat volgens vaste jurisprudentie uiterlijk op de zevende dag van de inbewaringstelling handelingen van directe betekenis voor de uitzetting moeten zijn verricht. De staatssecretaris voerde aan dat op de achtste dag een vertrekgesprek had plaatsgevonden en een vlucht was aangevraagd.
De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend had gehandeld omdat de daadwerkelijke voorbereiding van de uitzetting pas op de achtste dag begon, terwijl de vreemdeling beschikte over een geldige Italiaanse identiteitskaart die uitzetting mogelijk maakte. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en kende hem een schadevergoeding toe over de periode van 11 tot 24 oktober 2013. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de vreemdeling krijgt een schadevergoeding toegekend wegens onvoldoende voortvarendheid van de staatssecretaris.