ECLI:NL:RVS:2013:2299
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing voorschot zorgtoeslag wegens ontbreken rechtmatig verblijf
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van de Belastingdienst om het voorschot zorgtoeslag voor 2012 op nihil te stellen, omdat zij geen geldige verblijfstitel had en dus geen rechtmatig verblijf in Nederland. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant stelde daartegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat het recht op respect voor privé- en gezinsleven, zoals neergelegd in artikel 8 EVRM Pro, en het discriminatieverbod in artikel 14 EVRM Pro, geen grond bieden om af te wijken van het koppelingsbeginsel uit artikel 10 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Dit beginsel houdt in dat vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf geen aanspraak kunnen maken op voorzieningen zoals zorgtoeslag.
Appellant voerde aan dat het niet toekennen van het voorschot haar zou dwingen onder het sociaal minimum te leven, wat haar privéleven zou schaden. De Afdeling oordeelde dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het niet verlenen van het voorschot leidt tot het ontbreken van een menswaardig bestaan en dat een voorschot zorgtoeslag niet bedoeld is om het bestaansminimum te waarborgen.
Daarom is het hoger beroep ongegrond verklaard en is de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en het besluit om het voorschot zorgtoeslag op nihil te stellen wordt bevestigd.