AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing voorlopige voorziening tegen bouwvergunning renovatie hoeve en vakantiewoning
Het college van burgemeester en wethouders van Texel heeft op 29 november 2012 een projectbesluit genomen en bouwvergunning verleend voor de renovatie van een hoeve en de bouw van een vakantiewoning aan een perceel te Den Hoorn. Verzoekers hebben hiertegen beroep ingesteld, dat door de rechtbank Noord-Holland op 10 oktober 2013 ongegrond werd verklaard. Verzoekers zijn vervolgens in hoger beroep gegaan en hebben tevens een verzoek om voorlopige voorziening ingediend om de bouwwerkzaamheden te staken.
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak heeft het verzoek behandeld op 14 november 2013. Uit de overwegingen blijkt dat nader onderzoek noodzakelijk is omdat de hogerberoepsgronden pas kort voor de zitting zijn ingediend, waardoor het college onvoldoende gelegenheid had om verweer te voeren. Tevens is onzeker of het projectbesluit en de bouwvergunning uiteindelijk stand zullen houden, mede vanwege mogelijke strijd met het bestemmingsplan.
Desondanks weegt de voorzitter de belangen af en concludeert dat de belangen van de vergunninghouder bij voortzetting van de bouw zwaarder wegen dan die van de verzoekers bij het schorsen van de vergunning. Dit mede omdat het project al grotendeels is uitgevoerd, met binnenmuren gebouwd, isolatiemateriaal aangebracht en parkeerplaatsen aangelegd. De vergunninghouder maakt gebruik van de vergunning op eigen risico zolang deze niet onherroepelijk is.
De voorzitter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en ziet geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan op 26 november 2013.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening om de bouwactiviteiten te schorsen wordt afgewezen.
Uitspraak
201309891/2/A1.
Datum uitspraak: 26 november 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:
[verzoeker A], [verzoeker B], [verzoeker C], [verzoeker D], [verzoeker E], [verzoeker F], [verzoeker G] en [verzoeker H] (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker]), wonend te Den Hoorn, gemeente Texel,
verzoekers,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 10 oktober 2013 in zaak nr. 13/186 in het geding tussen:
[verzoeker]
en
het college van burgemeester en wethouders van Texel.
Procesverloop
Bij besluit van 29 november 2012 heeft het college ten behoeve van [vergunninghouder] een projectbesluit genomen en bouwvergunning verleend voor de renovatie van een hoeve en de bouw van een vakantiewoning op het perceel aan de [locatie] te Den Hoorn (hierna: het perceel).
Bij uitspraak van 10 oktober 2013 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.
Tevens heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
[verzoeker] heeft nadere stukken ingediend.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 14 november 2013, waar [verzoeker A] en [verzoeker H], bijgestaan door mr. M.L.M. Frantzen, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.H. Witte, werkzaam bij de gemeente, is verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], bijgestaan door mr. H.P. Verheyen, advocaat te Utrecht, als partij gehoord.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2. Het verzoek van [verzoeker] strekt ertoe dat in afwachting van het oordeel van de Afdeling in het hoger beroep een zodanige voorziening wordt getroffen, dat de bouwwerkzaamheden worden gestaakt, teneinde een onomkeerbare situatie te voorkomen.
3. De voorzitter is van oordeel dat nader onderzoek noodzakelijk is voor de beoordeling van deze zaak. [verzoeker] heeft eerst twee dagen voor de zitting zijn hogerberoepsgronden ingediend, waardoor het college, gelet op de aard en omvang van die gronden, onvoldoende de gelegenheid heeft gekregen om daartegen verweer te voeren. Gelet daarop wordt niet onmiddellijk uitspraak gedaan in de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
4. Onzeker is of de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure in stand zal blijven, althans of uiteindelijk zal blijken dat het projectbesluit en de bouwvergunning mochten worden verleend. Dit is onder meer afhankelijk van de beantwoording van de vraag of de rechtbank terecht geen grond heeft gevonden voor het oordeel dat het bouwplan in strijd is met het beleid als neergelegd in artikel 29 vanPro de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied, waaraan het college naar eigen zeggen toetst bij het nemen van een projectbesluit voor het uitbreiden van een recreatiebedrijf als thans aan de orde.
Ondanks deze onzekerheid bestaat onvoldoende aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorziening.
De belangen van [vergunninghouder] bij het mogen voortzetten van de bouwactiviteiten hangende hoger beroep worden van zwaarder gewicht geacht dan die van [verzoeker] bij het schorsen van de vergunning. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het project, naar ter zitting is gebleken, voor een groot deel is uitgevoerd. De binnenmuren van de beoogde vakantiewoning zijn gebouwd, er is isolatiemateriaal aangebracht en de beoogde twee parkeerplaatsen zijn aangelegd.
Niettemin blijft gelden dat de houder van een verleende vergunning op eigen risico van de vergunning gebruik maakt, zolang deze niet in rechte onaantastbaar is, ook als een verzoek, als thans aan de orde, wordt afgewezen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, ambtenaar van staat.