ECLI:NL:RVS:2013:25
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- D. Roemers
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vermindering boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen na hoger beroep
De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde appellante een boete van €8.000 op wegens het laten verrichten van arbeid door een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante gegrond en matigde de boete tot €7.200. Appellante ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Raad van State oordeelde dat de vreemdeling daadwerkelijk arbeid verrichtte aan boord van een motorschip op Nederlands grondgebied en dat de minister zijn onderzoeksplicht niet had geschonden. De Afdeling verwierp het beroep dat het boeterapport niet op het proces-verbaal mocht worden gebaseerd en bevestigde dat sprake was van het ter beschikking stellen van arbeidskrachten.
De Raad stelde vast dat de boete evenredig moet zijn en matigde de boete met 50% vanwege omstandigheden. Daarnaast werd de boete met 10% verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn. De boete werd vastgesteld op €3.600. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.
Uitkomst: De boete wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen wordt gematigd tot €3.600 en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.