201307028/1/R3.
Datum uitspraak: 24 december 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te Vierpolders, gemeente Brielle,
en
de raad van de gemeente Brielle,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 11 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Nieuwland" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] en de raad hebben nadere stukken ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 december 2013, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordig door B. van Houte en ir. G.N.B. van der Vlies, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.
2. Ter zitting heeft [appellant] zijn beroep voor zover dat ziet op artikel 12, lid 12.2, onder 12.2.1, aanhef en sub g, van de planregels en op het plandeel met de bestemming "Groen" ten oosten van zijn perceel ingetrokken.
3. [appellant], die woont aan de [locatie] te Vierpolders, kan zich niet verenigen met artikel 9, lid 9.2, aanhef en onder a, en artikel 12, lid 12.2, onder 12.2.2, aanhef en sub a, van de planregels. De bouwmogelijkheden in deze bepalingen zijn volgens hem onredelijk beperkend en niet in overeenstemming met de bouwmogelijkheden in het voorgaande plan. Voorts heeft [appellant] ter zitting gesteld dat op een naburig perceel sprake is van erfafscheiding die hoger is dan het thans voorliggende plan toestaat en in zoverre sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel.
3.1. De raad stelt dat hij heeft beoogd in alle bestemmingsplannen van de gemeente Brielle een uniforme regeling voor bouwmogelijkheden op te nemen.
3.2. Aan een deel van het perceel van [appellant] is de bestemming "Tuin" toegekend. Voor het overige is de bestemming "Wonen" aan zijn perceel toegekend.
3.3. Ingevolge artikel 9, lid 9.1, van de planregels zijn de voor "Tuin" aangewezen gronden bestemd voor tuin, met dien verstande dat een carport is toegestaan ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - carport".
Ingevolge lid 9.2, aanhef en onder a, mogen op de voor "Tuin" bestemde gronden ten dienste van de bestemming uitsluitend worden gebouwd bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen niet meer mag bedragen dan 2 m met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn niet meer mag bedragen dan 1 m.
Ingevolge artikel 12, lid 12.1, aanhef en sub a, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor woningen met bijbehorende bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Ingevolge lid 12.2, onder 12.2.2, aanhef en sub a, geldt voor overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dat de bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen niet meer mag bedragen dan 2 m met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- of terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn niet meer mag bedragen dan 1 m.
3.4. In het voorgaande bestemmingsplan "[locatie]" was aan het perceel [locatie] de bestemming "Woondoeleinden" toegekend. Ingevolge artikel 4, derde lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften bij dat plan mocht de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet meer bedragen dan 3 m.
3.5. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Dat de raad met de door [appellant] bestreden bouwmogelijkheden in het plan heeft willen aansluiten bij een uniforme regeling voor bouwmogelijkheden in de gemeente Brielle is naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk. Ter zitting heeft de raad toegelicht geen aanleiding te hebben gezien om voor het perceel van [appellant] van deze uniforme regeling af te wijken. De Afdeling acht ook dit standpunt niet onredelijk en overweegt daartoe als volgt. De bestaande erfafscheiding op het perceel van [appellant] bestaat uit beplanting en twee hekpalen. Het plan houdt geen beperkingen in voor erfafscheidingen in de vorm van beplanting. Voorts zijn de bestaande hekpalen op het perceel van [appellant] 1 m hoog. De bestaande erfafscheiding op het perceel van [appellant] past derhalve binnen het plan. Voorts heeft [appellant] ter zitting erkend dat ten tijde van de vaststelling van het plan geen sprake was van concrete plannen voor het oprichten van erfafscheidingen van ander materiaal hoger dan 2 m, dan wel 1 m hoog voor de voorgevelrooilijn. Over de door [appellant] ter zitting gemaakte vergelijking met een naburig perceel, wordt overwogen dat, daargelaten de vraag of de bestaande erfafscheiding op dat perceel hoger is dan het thans voorliggende plan toestaat, de planologische regeling voor dat perceel niet anders is dan voor het perceel van [appellant]. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant] genoemde situatie in planologische zin overeenkomt met de situatie op het perceel van [appellant]. De raad heeft het plan in zoverre dan ook niet vastgesteld in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
4. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. ten Wolde, ambtenaar van staat.
w.g. Parkins-de Vin w.g. Ten Wolde
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2013
45-653.