ECLI:NL:RVS:2013:2687
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- C.J. Borman
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf voor gezinsleden vreemdelingen
De vreemdelingen hebben een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aangevraagd op grond van artikel 29, eerste lid, onder e, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat zij als minderjarige kinderen van de referent, hun vader, bij hem wilden verblijven. De minister heeft deze aanvragen afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van de vreemdelingen eveneens ongegrond verklaard.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het hoger beroep behandeld en beoordeeld of de vreemdelingen feitelijk tot het gezin van de referent hebben behoord. Uit de asielprocedure bleek dat de referent tot mei of juni 2003 niet met hen heeft samengewoond en dat het contact beperkt was tot enkele bezoeken. Na terugkeer in Somalië verbleef de referent slechts kort bij zijn echtgenote en het contact met de vreemdelingen was minimaal.
De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vreemdelingen niet feitelijk tot het gezin van de referent hebben behoord. De grieven van de vreemdelingen faalden en het hoger beroep werd ongegrond verklaard. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf bevestigd.