ECLI:NL:RVS:2013:308
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- A.W.M. Bijloos
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit niet-ontvankelijkheid bezwaar machtiging voorlopig verblijf
De vreemdelingen hadden een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf, welke op 31 mei 2011 door de minister werd afgewezen. Vervolgens verklaarde de minister het bezwaar tegen deze afwijzing niet-ontvankelijk omdat het bezwaar niet binnen de vermeende termijn van veertien dagen was ingediend.
De rechtbank bevestigde deze niet-ontvankelijkheid, maar de vreemdelingen gingen hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat de termijn van veertien dagen niet van toepassing was op het bezwaar, dat volgens de Vreemdelingenwet 2000 een termijn van vier weken kent.
Omdat het bezwaar van de vreemdelingen tijdig was ingediend binnen deze vier weken, werd het besluit tot niet-ontvankelijkheid vernietigd. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de minister, en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het bezwaar van de vreemdelingen was tijdig ingediend, het besluit tot niet-ontvankelijkheid wordt vernietigd en de proceskosten worden vergoed.