ECLI:NL:RVS:2013:333
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- D. Roemers
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging boetebesluit wegens ontbreken werkgeverschap in Wet arbeid vreemdelingen
Bij besluit van 20 juni 2011 legde de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [bedrijf A] een boete op van €48.000 wegens overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Na bezwaar en beroep werd de boete vastgesteld op €44.000. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van [bedrijf A] deels gegrond, maar stelde de boete onjuist vast. In hoger beroep betoogde [bedrijf A] dat zij slechts bemiddelende werkzaamheden verrichtte en niet als werkgever in de zin van de Wav kon worden aangemerkt.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het feitelijk werkgeverschap in de Wav wordt bepaald door de werkzaamheden die tot het takenpakket behoren en dat het feit dat arbeid wordt verricht in opdracht van een werkgever voldoende is. Uit het onderzoek bleek dat [bedrijf A] vooral administratieve en bemiddelende taken verrichtte en geen invloed had op de uitvoering van de arbeid of de contracten. Daarom was geen sprake van werkgeverschap en was de boete onterecht opgelegd.
Ook voor [bedrijf B], die de werkzaamheden van [bedrijf A] overnam, werd geoordeeld dat zij niet als werkgever in de zin van de Wav kon worden aangemerkt. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht voor beide partijen. De uitspraak van de rechtbank Amsterdam in zaak 11/6113 werd vernietigd, terwijl die in zaak 11/6116 werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van [bedrijf A] wordt gegrond verklaard en het boetebesluit vernietigd; het hoger beroep van de minister tegen [bedrijf B] wordt ongegrond verklaard en bevestigd.