ECLI:NL:RVS:2013:3586
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H. Troostwijk
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingenbewaring alleenstaande minderjarige vreemdeling en duur bewaring
Bij besluit van 20 maart 2013 is een alleenstaande minderjarige vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en kende schadevergoeding toe, omdat volgens de rechtbank onvoldoende was toegelicht waarom de bewaring langer dan veertien dagen mocht duren.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in en voerde aan dat het beleid zoals neergelegd in de brief van 10 maart 2011 en de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) ruimte biedt voor een langere duur van bewaring indien zwaarwegende belangen aanwezig zijn. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de maximale duur van veertien dagen als strikt uitgangspunt hanteerde en dat de staatssecretaris voldoende had toegelicht waarom de bewaring langer mocht duren, gezien eerdere onttrekking aan toezicht en medewerking aan uitzetting.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank, verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen grond voor een minder ingrijpende maatregel dan bewaring, ook niet gelet op de ingediende asielaanvraag en de psychische gesteldheid van de vreemdeling, die niet nader was toegelicht.
De uitspraak bevestigt dat bij alleenstaande minderjarige vreemdelingen bewaring alleen in uiterste gevallen en voor zo kort mogelijke duur mag worden toegepast, maar dat een maximale termijn van veertien dagen niet absoluut is indien zwaarwegende belangen dit rechtvaardigen.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.