ECLI:NL:RVS:2013:377
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling tegemoetkoming faunaschade door ganzen en adequaat gebruik vrijstelling
Appellant verzocht het Faunafonds om een tegemoetkoming voor door brandganzen, grauwe ganzen en kolganzen aan grasland toegebrachte schade. Het Faunafonds kende slechts gedeeltelijk vergoeding toe, omdat appellant volgens hen onvoldoende gebruik had gemaakt van de provinciale vrijstelling om schadeveroorzakende ganzen te doden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Raad van State bevestigt deze uitspraak in hoger beroep. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het Faunafonds een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij het bepalen of een grondgebruiker adequaat gebruik heeft gemaakt van de vrijstelling. Uit de rapportage bleek dat appellant niet de vereiste frequentie van verjaagacties met ondersteunend afschot heeft uitgevoerd.
Appellant voerde aan dat verstoringen zoals het uitrijden van mest en eierzoekers de aanwezigheid van ganzen hadden beperkt en dat ook verjaagacties vanaf belendende percelen plaatsvonden. De Raad van State stelt echter dat het Faunafonds terecht heeft geoordeeld dat verjaagacties op het eigen perceel moeten plaatsvinden om het gewenste effect te bereiken.
Ten slotte faalt het beroep op het gelijkheidsbeginsel omdat het Faunafonds aannemelijk heeft gemaakt dat de situatie van appellant afwijkt van die van zijn buren. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de eerdere uitspraak en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd dat appellant geen volledige tegemoetkoming krijgt wegens onvoldoende adequaat gebruik van de vrijstelling.