ECLI:NL:RVS:2013:391
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.W.M. Bijloos
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boeteoplegging voor overtreding Wet arbeid vreemdelingen wegens arbeid zonder vergunning
De minister legde aan appellant een boete van €4.000 op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), omdat een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning werkzaamheden verrichtte in de onderneming van appellant.
Appellant betoogde dat de werkzaamheden niet als arbeid in de zin van de Wav moesten worden aangemerkt, omdat het ging om eenmalig opruimen van etensresten en klein afval uit fatsoen. Tevens stelde appellant dat zij niet als werkgever kon worden aangemerkt omdat geen opdracht was gegeven.
De Raad van State oordeelde dat feitelijk verrichte arbeid voldoende is om als werkgever te worden aangemerkt, ongeacht de omvang, duur of het verband met bedrijfsactiviteiten. Het boeterapport en verklaringen bevestigden dat de vreemdeling stof en vuil had opgeveegd ten behoeve van appellant.
Verder werd geoordeeld dat de minister de boete terecht met 50% had gematigd vanwege de geringe en eenmalige aard van de arbeid. Appellant had echter geen maatregelen getroffen om overtreding te voorkomen, waardoor geen verdere matiging op zijn plaats was.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De boete van €4.000 wegens het laten verrichten van arbeid zonder vergunning wordt bevestigd.