ECLI:NL:RVS:2013:454
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen uitzettingsbesluit vreemdeling
Bij besluit van 27 augustus 2012 wees de minister de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. Hiertegen stelde de vreemdeling beroep in, dat door de voorzieningenrechter ongegrond werd verklaard. Vervolgens vaardigde de minister op 25 september 2012 een uitzettingsbevel en inreisverbod uit, waartegen eveneens beroep en een verzoek om voorlopige voorziening werden ingediend.
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het hoger beroep mede betrekking heeft op het uitzettingsbesluit en dat hij bevoegd is kennis te nemen van het verzoek om voorlopige voorziening. Uit jurisprudentie volgt dat tegen de feitelijke uitzetting geen bezwaar openstaat en dat het verzoek om voorlopige voorziening als aanvulling op het beroep moet worden beschouwd.
Het verzoek strekte ertoe de uitzetting te voorkomen zolang het hoger beroep loopt. De voorzitter stelde echter vast dat er geen spoedeisend belang is, omdat niet duidelijk is of en wanneer de uitzetting zal plaatsvinden. Ook een verzoek om opvang en verstrekkingen werd afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang en de aanwezigheid van een maatregel van bewaring.
Daarom wees de voorzitter het verzoek om voorlopige voorziening af en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. De uitspraak werd op 19 juli 2013 in het openbaar gedaan.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het uitzettingsbesluit wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.