ECLI:NL:RVS:2013:469
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- A.B.M. Hent
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vermindering boete voor overtreding Wet arbeid vreemdelingen wegens beperkte verwijtbaarheid
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde [wederpartij] een boete van €8.000 op wegens het laten verrichten van arbeid door een vreemdeling zonder geldige tewerkstellingsvergunning, in strijd met artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav).
De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep van [wederpartij] gegrond en vernietigde het boetebesluit. De minister stelde daarop hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het hoger beroep behandeld en geoordeeld dat de boete terecht is opgelegd, maar dat de verwijtbaarheid van [wederpartij] beperkt is vanwege het feit dat zij een controleprocedure hanteerde volgens het toen geldende stappenplan 2007.
De Raad van State oordeelde dat de afwijkingen op het verblijfsdocument eenvoudig te constateren waren aan de hand van het stappenplan, waardoor [wederpartij] niet de maximale zorg heeft betracht. Toch achtte de Afdeling de verwijtbaarheid verminderd gezien het geïntegreerde controlesysteem van [wederpartij]. Daarom werd de boete gematigd tot €4.000. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep van [wederpartij] gegrond verklaard, waarbij het boetebesluit werd herroepen en de boete verlaagd.
Uitkomst: De boete wordt gematigd van €8.000 naar €4.000 wegens verminderde verwijtbaarheid van de werkgever.