ECLI:NL:RVS:2013:540
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering kinderopvangtoeslag wegens niet aannemelijk gemaakte kosten
De Belastingdienst heeft het voorschot kinderopvangtoeslag over 2008 voor appellant herzien op nihil gesteld en het te veel betaalde teruggevorderd. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze besluiten, maar zowel de rechtbank Rotterdam als de Raad van State verklaarden deze ongegrond.
Appellant voerde aan dat hij door middel van bankafschriften, kwitanties, een verklaring van de gastouder en de aangifte en aanslag inkomstenbelasting van de gastouder had aangetoond dat hij kosten voor kinderopvang had betaald. De rechtbank en de Raad van State oordeelden echter dat deze stukken onvoldoende waren om aan te tonen dat daadwerkelijk kosten voor kinderopvang door appellant waren gemaakt.
De Raad van State overwoog dat uit de bankafschriften alleen blijkt dat appellant contant geld heeft opgenomen en betalingen aan het gastouderbureau heeft gedaan, maar niet dat de gastouder zelf is betaald. Ook de overige stukken konden niet overtuigend aantonen dat de gastouder door appellant is betaald. De stelling van appellant dat hij een deel van de kosten zou hebben verrekend met de gastouder werd niet gevolgd, mede omdat dit niet strookte met eerdere standpunten.
Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de kinderopvangtoeslag bevestigd.