ECLI:NL:RVS:2013:551
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- J. Kramer
- P.A. Koppen
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing vrijstelling bouwplan rouwcentrum te Zeist
Het college van burgemeester en wethouders van Zeist verleende op 24 augustus 2006 een bouwvergunning en vrijstelling voor het gedeeltelijk vernieuwen en vergroten van een woning met rouwcentrum op een perceel te Zeist. Het bouwplan was in strijd met het bestemmingsplan omdat een deel van de bebouwing buiten het bouwvlak lag. Na diverse besluiten, bezwaren en procedures bij de rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak, werd het college uiteindelijk bevoegd geacht om vrijstelling te verlenen krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).
De rechtbank verklaarde beroepen van enkele appellanten ongegrond, maar oordeelde dat het college niet bevoegd was om op bezwaren van anderen te beslissen. De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde dit oordeel en stelde dat het college wel bevoegd was vanwege toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, waardoor rechtstreeks beroep openstond bij de rechtbank. De Afdeling beoordeelde vervolgens de beroepsgronden inhoudelijk.
De appellanten voerden aan dat het college zijn bevoegdheid zou hebben misbruikt (détournement de pouvoir), dat de vrijstelling onrechtmatig was vanwege hinder voor de omgeving, en dat de ruimtelijke onderbouwing onvoldoende was. Deze betogen werden verworpen. De Afdeling oordeelde dat het college in redelijkheid tot zijn besluit kon komen, ook gelet op de aard van het rouwcentrum, de omvang van het bouwvlak en de belangenafweging. De visuele hinder en geluidsoverlast werden erkend, maar niet als zodanig ernstig dat vrijstelling geweigerd moest worden.
De hoger beroepen van twee appellanten werden gegrond verklaard wegens het niet beoordelen van hun beroepsgronden door de rechtbank, maar hun beroepen tegen het besluit werden inhoudelijk ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank werd voor het overige bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en het betaalde griffierecht werd aan de appellanten terugbetaald.
Uitkomst: De Afdeling bevestigt het besluit tot verlening van vrijstelling en bouwvergunning en verklaart de hoger beroepen van twee appellanten gegrond wegens procedurele redenen, maar inhoudelijk ongegrond.