ECLI:NL:RVS:2013:581
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit herziening kinderopvangtoeslag wegens strijd met verbod reformatio in peius
De Belastingdienst had de kinderopvangtoeslag voor de jaren 2007 en 2008 definitief vastgesteld en vervolgens bij een besluit van 28 maart 2012 deze tegemoetkoming herzien en teruggevorderd. [Appellante] maakte bezwaar tegen deze herziening, dat door de rechtbank ongegrond werd verklaard. In hoger beroep stelde zij dat de herziening niet was toegestaan omdat de Belastingdienst bij de definitieve vaststelling al beschikte over voldoende informatie om te weten dat zij geen eigen bijdrage had betaald, waardoor de herzieningsgrond van artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awir niet was vervuld.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de Belastingdienst bij de definitieve vaststelling van de kinderopvangtoeslag over 2007 en 2008 niet redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn van het ontbreken van een eigen bijdrage. Hierdoor was de herzieningsbevoegdheid volgens artikel 21 Awir Pro verloren gegaan. Tevens werd geoordeeld dat het besluit van 28 maart 2012 de positie van [appellante] verslechterde, wat in strijd is met het verbod van reformatio in peius zoals neergelegd in artikel 7:11 Awb Pro.
De Afdeling vernietigde daarom het besluit van 28 maart 2012 en de daarop volgende besluiten en bepaalde dat de Belastingdienst binnen 12 weken een nieuw besluit moet nemen, waarbij [appellante] niet in een slechtere positie mag worden gebracht dan zonder bezwaar. Tevens werd de Belastingdienst veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit van de Belastingdienst tot herziening van de kinderopvangtoeslag wordt vernietigd en de Belastingdienst wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen zonder verslechtering van positie appellant.