ECLI:NL:RVS:2013:633
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning vreemdeling
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, die door de minister op 23 december 2010 werd afgewezen. Hiertegen maakte zij bezwaar, dat op 7 september 2011 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze beslissing op 15 juni 2012 gegrond en vernietigde het besluit.
De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in tegen deze uitspraak. De minister, inmiddels staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verklaarde het bezwaar van de vreemdeling op 25 juli 2012 opnieuw ongegrond. De vreemdeling en de staatssecretaris wisselden schriftelijke stukken uit en het dossier werd gesloten.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de vreemdeling inmiddels op 4 oktober 2012 een verblijfsvergunning regulier had gekregen met een beperkte geldigheidsduur. Hierdoor ontbrak het belang bij de beoordeling van het hoger beroep en het beroep tegen het besluit van 25 juli 2012. Daarom verklaarde de Afdeling beide beroepen kennelijk niet-ontvankelijk. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht aan de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep en het beroep tegen het bezwaar van de vreemdeling worden niet-ontvankelijk verklaard omdat zij inmiddels een verblijfsvergunning heeft ontvangen.