ECLI:NL:RVS:2013:648
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- E. Steendijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat weigering verblijfsvergunning niet in strijd is met artikel 8 EVRM
De minister voor Immigratie en Asiel wees op 5 april 2011 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 7 november 2011 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, maar de minister stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte buiten de grenzen van het geschil was getreden door het besluit te toetsen aan artikel 8 EVRM Pro. Wel stelde de Afdeling vast dat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er een objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen, zoals vereist volgens de Vreemdelingencirculaire 2000.
De Afdeling overwoog verder dat de staatssecretaris terecht het mvv-vereiste toepaste en dat de medische situatie van de vreemdeling geen onbillijkheid van overwegende aard opleverde. Het beroep op het arrest Ruiz Zambrano faalde omdat niet was gesteld dat de Nederlandse kinderen zodanig afhankelijk zijn dat zij met de vreemdeling buiten de EU moeten verblijven.
Uiteindelijk verklaarde de Afdeling het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de weigering van de verblijfsvergunning blijft in stand.