ECLI:NL:RVS:2013:653
Raad van State
- Hoger beroep
- R. van der Spoel
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet tijdig besluit op bezwaar in vreemdelingenzaak
De minister van Buitenlandse Zaken wees op 1 maart 2011 een aanvraag van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling en een referent stelden vervolgens beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar tegen deze afwijzing. De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde dit beroep gegrond, stelde vast dat de minister een dwangsom had verbeurd en veroordeelde hem tot vergoeding van proceskosten.
De minister, inmiddels staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, evenals de vreemdeling en de referent. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte paragraaf 4.1.3.2 van de Awb toepaste op het besluit van 1 maart 2011, omdat dit besluit was genomen op grond van het Soeverein Besluit van 12 december 1813 en artikel 4:16 Awb Pro was vervallen.
Daarom vernietigde de Afdeling het deel van de uitspraak waarin de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar gegrond verklaarde, de dwangsom vaststelde en de minister veroordeelde tot proceskostenvergoeding. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard. Wel werd de staatssecretaris veroordeeld tot een beperkte proceskostenvergoeding aan de vreemdeling en de referent wegens de noodzakelijke behandeling van het beroep.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard en de dwangsom wordt vernietigd.