ECLI:NL:RVS:2013:659
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- R.W.L. Loeb
- R.R. Winter
- R. Uylenburg
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit last onder dwangsom wegens vermeende bodemverontreiniging
Bij brief van 13 juli 2010 hebben gedeputeerde staten het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Rijnland aanwijzingen gegeven op grond van de Wet bodembescherming. Vervolgens legden zij bij besluit van 14 maart 2011 een last onder dwangsom op wegens overtreding van artikel 13 van Pro die wet. Het college en Schiphol Real Estate stelden beroep in tegen het besluit van 6 september 2011, waarbij gedeputeerde staten het bezwaar grotendeels ongegrond verklaarden.
De zaak betreft een incident op 12 juli 2008 waarbij blusschuim met PFOS in oppervlaktewater op Schiphol terechtkwam. Het college trad met spoedeisende bestuursdwang op en sloeg het verontreinigde water tijdelijk op in bassins. Gedeputeerde staten meenden dat dit opslaan een overtreding van artikel 13 Wet Pro bodembescherming vormde en legden de last op.
Het college voerde aan dat het niet redelijkerwijs kon vermoeden dat de opslag de bodem zou verontreinigen, mede omdat de bassins op kleigrond lagen, tijdelijk waren en eerder gebruikt werden voor opslag zonder bodemverontreiniging. De Raad van State oordeelde dat gedeputeerde staten dit standpunt onvoldoende gemotiveerd hadden weersproken en vernietigde het besluit wegens strijd met het motiveringsbeginsel en artikel 7:12 Awb Pro.
De Raad verklaarde het beroep van Schiphol Real Estate niet-ontvankelijk en veroordeelde gedeputeerde staten tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan het college van dijkgraaf en hoogheemraden.
Uitkomst: Het besluit van gedeputeerde staten wordt vernietigd voor zover het het college betreft en Schiphol Real Estate wordt niet-ontvankelijk verklaard.