ECLI:NL:RVS:2013:702
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- R. van der Spoel
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat uitzetting vreemdeling niet achterwege blijft ondanks medische situatie
De minister voor Immigratie, Integratie en Asiel wees een verzoek van een vreemdeling af om uitzetting achterwege te laten op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdeling maakte bezwaar, dat door de minister ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarna de minister hoger beroep instelde.
De Raad van State overwoog dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de minister onvoldoende inzicht had gegeven in de medische situatie van de vreemdeling en de vraag of noodzakelijke behandeling na uitzetting beschikbaar zou zijn. De minister had terecht een gedeeltelijk advies van het Bureau Medische Advisering ingewonnen en mocht zich beperken tot de vraag of de vreemdeling kon reizen. De Raad stelde dat de minister bij een bekend geworden land van herkomst zal beoordelen of noodzakelijke medische behandeling daar beschikbaar is.
Verder oordeelde de Raad dat het afzien van het horen bij de bezwaarprocedure gerechtvaardigd was omdat redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar niet tot een ander besluit zou leiden. De klachten van de vreemdeling over de toepassing van artikel 4:84 Awb Pro en de terugkeerrichtlijn 2008/115/EG werden verworpen omdat het besluit geen terugkeerbesluit betrof en onvoldoende onderbouwing ontbrak.
De Raad verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.