ECLI:NL:RVS:2013:773

Raad van State

Datum uitspraak
5 augustus 2013
Publicatiedatum
14 augustus 2013
Zaaknummer
201305807/1/A4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • J.H. van Kreveld
  • M.J. van der Zijpp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake plaatsingsplan ondergrondse restafvalcontainers in Scheveningen Badplaats

Op 5 augustus 2013 heeft de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan op een verzoek van verzoeker A en verzoekster B om een voorlopige voorziening te treffen tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag. Dit besluit, genomen op 7 mei 2013, betrof de vaststelling van een plaatsingsplan voor ondergrondse restafvalcontainers (ORAC's) in de wijk Scheveningen Badplaats. Verzoekers maakten bezwaar tegen de locatie van de containers, specifiek locatie 03-20A, en voerden aan dat de plaatsing zou leiden tot stankoverlast, geluidoverlast en aantasting van hun privacy.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 juli 2013, waarbij verzoekers werden bijgestaan door hun advocaat en het college vertegenwoordigd was door ambtenaren van de gemeente. De voorzitter overwoog dat het college bij de vaststelling van het plaatsingsplan de randvoorwaarden had gehanteerd, waaronder maximale loopafstanden en minimale verstoring van de omgeving. Verzoekers stelden dat de gekozen locatie niet redelijk was, maar het college verdedigde zijn keuze door te wijzen op de aanwezigheid van ondergrondse infrastructuur en de noodzaak om de ORAC's binnen een bepaalde loopafstand te plaatsen.

Daarnaast voerden verzoekers aan dat zij door een mededeling in een televisieprogramma het vertrouwen hadden gekregen dat er geen ORAC's voor hun woning geplaatst zouden worden. De voorzitter oordeelde echter dat deze mededeling niet als een concrete toezegging kon worden beschouwd. Gezien de belangenafweging en de argumenten van het college, besloot de voorzitter het verzoek om een voorlopige voorziening af te wijzen. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, en de voorzitter benadrukte dat reeds geplaatste ORAC's verwijderd zouden worden indien het besluit op bezwaar zou worden herroepen.

Uitspraak

201305807/1/A4.
Datum uitspraak: 5 augustus 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van [verzoeker A] en [verzoekster B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [verzoeker]), wonend te Den Haag, om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
verzoekers,
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 7 mei 2013 heeft het college het plaatsingsplan vastgesteld voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (hierna: ORAC's) in de wijk Scheveningen Badplaats (wijk 03).
Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bezwaar gemaakt.
[verzoeker] heeft de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 juli 2013, waar [verzoeker A] en [verzoekster B], bijgestaan door mr. R.S. van der Beek, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.W. Schrijver en H.W. Terlouw, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Bij besluit van 8 november 2011 heeft het college op grond van artikel 4, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening 2010 onder meer Scheveningen Badplaats (wijk 03) aangewezen als buurt waar gebruik zal moeten worden gemaakt van ORAC's. Bij het bestreden besluit heeft het college, door vaststelling van een plaatsingsplan, de concrete locaties aangewezen waar de ORAC's worden geplaatst. Onder meer worden twee ORAC's geplaatst op locatie 03-20A voor de woningen aan de [locatie 1] en [locatie 2]. Bij het plaatsingsplan heeft het college de randvoorwaarden bij het vinden van geschikte locaties voor ondergrondse containers, neergelegd in zijn 'Kadervoorstel ondergrondse inzamelcontainers voor restafval' met kenmerk RIS 160943 (hierna: de Randvoorwaarden) gehanteerd.
1.1. De Randvoorwaarden houden in:
- Loopafstand: de maximale loopafstand van de huisdeur tot de container mag ingevolge de regelgeving maximaal 75 m bedragen, waarbij onder bijzondere omstandigheden een uitloop naar maximaal 125 m is toegestaan.
- Parkeren: het aantal te vervallen parkeerplaatsen wordt tot een minimum beperkt.
- Bomen: zo min mogelijk kappen of verplaatsen van bomen.
- Ondergrondse infrastructuur: zo min mogelijk omleggen van reeds aanwezige kabels, leidingen en riolering (kosten!).
- Overige obstakels: zo min mogelijk verplaatsen van lichtmasten, telefoonzuilen, HTM-masten en bovenleidingen (kosten!).
- Bereikbaarheid leegwagen: de leegwagen moet voldoende ruimte hebben om op te stellen.
- Veiligheid: bij de route van huisdeur naar container moet kruising met hoofdroutes en wijkontsluitingswegen worden vermeden.
2. [verzoeker] woont aan de [locatie 2]. Hij voert aan dat het college niet in redelijkheid tot aanwijzing van locatie 03-20A heeft kunnen komen. Daartoe voert hij aan dat door de plaatsing aan de zonzijde van de straat stankoverlast zal optreden, dat geluidoverlast zal optreden door het gebruik en het legen van de ORAC's en dat zijn privacy zal worden aangetast door omwonenden die door zijn voorraam naar binnen kunnen kijken wanneer zij gebruik maken van de ORAC's.
2.1. Volgens het college is het niet mogelijk om de ORAC's aan de schaduwzijde van de straat te plaatsen vanwege de aan die zijde van de straat onder de grond aanwezige waterleiding en kabels. Doordat de ORAC's grotendeels in de grond worden geplaats en twee keer per week worden geleegd, zal zich volgens het college niet of nauwelijks stankoverlast voordoen. Eventuele geluidoverlast zal volgens het college binnen aanvaardbare grenzen blijven omdat het gebruik van de ORAC's niet of nauwelijks geluidoverlast veroorzaakt en het legen van de ORAC's slechts twee keer per week gedurende 5 tot 10 minuten plaatsvindt tussen 07:00 en 22:00 uur. Wat betreft de privacy van [verzoeker], stelt het college zich op het standpunt dat die net zo min in het geding is als bij het gebruik van de locatie als parkeerplaats, zoals thans het geval is.
Verder stelt het college zich op het standpunt dat er in de omgeving geen alternatieve locaties mogelijk zijn binnen een loopafstand van maximaal 125 m. Plaatsing aan de Havenkade of bij één van de hofjes in de Noordwijkstraat is niet mogelijk vanwege de daar aanwezige leidingen, kabels en bomen, aldus het college.
2.2. Gelet op de Randvoorwaarden en gelet op de reactie van het college op hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd ten aanzien van deze locatie, ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot de plaatsing van twee ORAC's op deze locatie kon besluiten. Daarbij neemt de voorzitter mede in aanmerking dat niet is gebleken dat deze locatie niet voldoet aan de criteria van het college.
3. Vervolgens doet [verzoeker] een beroep op het vertrouwensbeginsel. Daartoe voert hij aan dat door een mededeling van een medewerker van de gemeente in de aflevering van 29 november 2012 van het televisieprogramma 'Lekker belangrijk' bij hem het vertrouwen is gewekt dat er geen ORAC's voor zijn woning zouden worden geplaatst. In het televisieprogramma is gezegd dat er in beginsel geen ORAC's direct voor een woning zouden worden geplaatst maar dat er in een enkel geval geen andere mogelijkheid zou zijn dan plaatsing vlak voor een huis.
3.1. Het college heeft ter zitting toegelicht dat de mededeling in het televisieprogramma zag op alle wijken waar gebruik zal moeten worden gemaakt van ORAC's en dat in dichtbevolkte gebieden, zoals het gebied waar [verzoeker] woont, zonder meer de kans bestaat dat de ORAC's voor een woning worden geplaatst.
3.2. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegde persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. De mededeling in het televisieprogramma kan niet als een concrete ondubbelzinnige toezegging worden beschouwd dat geen ORAC's direct voor woningen zouden worden geplaatst. Derhalve ziet de voorzitter in deze mededeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot de plaatsing van twee ORAC's op deze locatie voor de woning van [verzoeker] kon besluiten.
4. Gezien het voorgaande ziet de voorzitter bij afweging van belangen geen aanleiding om het bestreden besluit te schorsen. Daarbij neemt de voorzitter mede in aanmerking dat het college ter zitting heeft verklaard dat reeds geplaatste ORAC's zullen worden weggehaald indien bij het besluit op bezwaar de aanwijzing van de betrokken locatie wordt herroepen.
Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van staat.
w.g. Van Kreveld w.g. Van der Zijpp
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2013
262-687.