ECLI:NL:RVS:2013:787
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongeloofwaardigheid Eritrese nationaliteit vreemdeling in asielprocedure
De minister voor Immigratie en Asiel wees op 23 november 2011 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit gegrond en vernietigde het besluit, waarna de minister hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de aannemelijkheid van de Eritrese nationaliteit van de vreemdeling. De staatssecretaris stelde dat de vreemdeling onvoldoende positieve overtuigingskracht had geleverd, onder meer omdat hij Amhaars sprak, een taal die gangbaar is in Ethiopië, en niet het Tigrinja, de dominante taal in Eritrea. Daarnaast kon de vreemdeling geen overtuigende details geven over de verkrijging van de Eritrese nationaliteit via zijn vader.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte niet had onderkend dat het aan de vreemdeling was zijn nationaliteit aannemelijk te maken en dat hij daarin niet was geslaagd. De ongeloofwaardigheid van de nationaliteit maakte ook het asielrelaas ongeloofwaardig. De Raad verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijkheid van zijn Eritrese nationaliteit.