ECLI:NL:RVS:2013:791
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- D. Roemers
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid beroep vreemdeling tegen weigering verblijfsvergunning asiel en amv-vergunning
De minister voor Immigratie en Asiel wees op 16 juni 2011 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af en weigerde tevens ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd (amv-vergunning) te verlenen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moest nemen.
Zowel de minister (thans staatssecretaris van Veiligheid en Justitie) als de vreemdeling stelden hoger beroep in. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het hoger beroep van de vreemdeling geen aanleiding gaf tot vernietiging van het bestreden vonnis, maar constateerde dat de uitspraak van de rechtbank innerlijk tegenstrijdig was. Het hoger beroep van de staatssecretaris was kennelijk gegrond omdat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd dat adequate opvang voor de vreemdeling aanwezig is in Afghanistan of Iran.
De Afdeling stelde dat de zorgplicht van ouders inhoudt dat zij zorg moeten dragen voor adequate opvang van het kind in het land van herkomst, tenzij het kind aannemelijk maakt dat dit onmogelijk is. De staatssecretaris had terecht geoordeeld dat de moeder en zus van de vreemdeling in Iran adequate opvang kunnen bieden. De rechtbank had dit niet onderkend. Ook het beroep van de vreemdeling dat het besluit in strijd zou zijn met het IVRK en de Terugkeerrichtlijn faalde. De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.