ECLI:NL:RVS:2013:877
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- N. Verheij
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid inreisverbod en weigering verblijfsvergunning asiel
De minister heeft op 23 januari 2012 een aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning asiel afgewezen en een inreisverbod uitgevaardigd. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep tegen het inreisverbod gegrond en vernietigde dat deel van het besluit. Zowel de vreemdeling als de minister gingen in hoger beroep.
De Raad van State oordeelt dat het hoger beroep van de vreemdeling kennelijk ongegrond is en dat het hoger beroep van de minister gegrond is. De Afdeling vernietigt het oordeel van de voorzieningenrechter dat het inreisverbod niet zelfstandig kan worden uitgevaardigd, en verklaart het beroep tegen het inreisverbod ongegrond.
De vreemdeling stelde dat het inreisverbod in strijd is met artikel 8 EVRM Pro omdat hij sinds 1999 in Nederland verblijft, de taal spreekt, een woning heeft en werkt. De staatssecretaris stelde dat geen sprake is van een zeer lange verblijfsduur of intensieve sociale banden. De Raad van State volgt het standpunt van de staatssecretaris en oordeelt dat het inreisverbod niet in strijd is met artikel 8 EVRM Pro.
De Afdeling bevestigt het overige oordeel van de voorzieningenrechter en wijst het beroep van de vreemdeling af voor zover het het inreisverbod betreft. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard en het besluit van 23 januari 2012 wordt bevestigd.