ECLI:NL:RVS:2013:893
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat weigering machtiging voorlopig verblijf terecht is
De minister heeft op 11 juni 2010 een aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) afgewezen. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 16 augustus 2011 opnieuw ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht een nieuw besluit te nemen.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State oordeelde dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor verblijf op grond van het beleid voor verblijf bij het kleinkind tijdens diens medische behandeling, omdat zij geen juridische ouder is. De rechtbank had geoordeeld dat de ouders van het kleinkind niet naar Nederland konden komen vanwege hun situatie, maar de Raad stelde vast dat de minister zich deugdelijk had gemotiveerd dat het voor de ouders niet onmogelijk is om in Nederland te verblijven.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep tegen het besluit van 16 augustus 2011 alsnog ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.