ECLI:NL:RVS:2013:893

Raad van State

Datum uitspraak
20 augustus 2013
Publicatiedatum
28 augustus 2013
Zaaknummer
201205939/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
  • R. van der Spoel
  • A.B.M. Hent
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 4:84 Awbparagraaf B8/9 Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling dat weigering machtiging voorlopig verblijf terecht is

De minister heeft op 11 juni 2010 een aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) afgewezen. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 16 augustus 2011 opnieuw ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht een nieuw besluit te nemen.

De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State oordeelde dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor verblijf op grond van het beleid voor verblijf bij het kleinkind tijdens diens medische behandeling, omdat zij geen juridische ouder is. De rechtbank had geoordeeld dat de ouders van het kleinkind niet naar Nederland konden komen vanwege hun situatie, maar de Raad stelde vast dat de minister zich deugdelijk had gemotiveerd dat het voor de ouders niet onmogelijk is om in Nederland te verblijven.

De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep tegen het besluit van 16 augustus 2011 alsnog ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

201205939/1/V1.
Datum uitspraak: 20 augustus 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
de minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister),
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 mei 2012 in zaak nr. 11/28191 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (lees: de minister).
Procesverloop
Bij besluit van 11 juni 2010 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om haar een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 16 augustus 2011 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 25 mei 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister (thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie) hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: de minister.
2. De vreemdeling betoogt in zijn verweerschrift dat het door de staatssecretaris ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat een machtiging tot het instellen van dit hoger beroep ontbreekt.
De staatssecretaris heeft bij het hogerberoepschrift een machtiging overgelegd waaruit blijkt dat de senior procesvertegenwoordiger die het hogerberoepschrift heeft ondertekend, is gemachtigd om namens hem dit hoger beroep in te stellen.
Reeds hierom faalt het betoog.
3. Onbestreden is dat de vreemdeling, nu zij geen juridische ouder van haar op 30 september 2009 geboren kleinkind (hierna: de hoofdpersoon) is, niet met toepassing van het in paragraaf B8/9 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) neergelegde beleid voor verblijf bij de hoofdpersoon, tijdens diens medische behandeling in Nederland, in aanmerking komt.
4. In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de vreemdeling niet met toepassing van artikel 4:84 van Pro de Awb een mvv te verlenen. De rechtbank heeft aan dat oordeel ten grondslag gelegd dat de ouders van de hoofdpersoon (hierna: de ouders; hierna afzonderlijk: de vader onderscheidenlijk de moeder) wegens werk en zorg voor vier jonge kinderen in Somalië niet naar Nederland kunnen komen om de hoofdpersoon tijdens zijn drie jaren durende medische behandeling te verzorgen, terwijl de vreemdeling vanaf de geboorte van de hoofdpersoon bij diens verzorging betrokken is geweest. De staatssecretaris betoogt dat de rechtbank aldus niet heeft onderkend dat hij zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat het voor de ouders, of één van hen, niet onmogelijk is om in Nederland te verblijven tijdens de medische behandeling van de hoofdpersoon.
4.1. Een in Nederland woonachtige tante van de hoofdpersoon (hierna: de tante) heeft in een brief van 18 januari 2010 verklaard dat de moeder, na de geboorte van de hoofdpersoon, met de hoofdpersoon voor medische hulp vanuit Somalië naar Ethiopië is gereisd en daarna naar Jemen. Volgens een van de Nederlandse ambassade in Jemen afkomstig e-mailbericht van 27 maart 2010 hebben de ouders tijdens een bezoek aan deze ambassade op dezelfde dag waarop dit bericht werd verzonden, verklaard dat zij sinds vier maanden in Jemen zijn en dat zij broers en zussen hebben die in Somalië wonen. De tante heeft in een e-mailbericht van 23 april 2010 verklaard dat de ouders, in de periode dat zij buiten Somalië verbleven, hun toentertijd in Somalië verblijvende kinderen bij verscheidene families hadden ondergebracht. Volgens het verslag van een op 1 september 2010 gehouden ambtelijke hoorzitting heeft de tante verklaard dat de vader inmiddels is teruggekeerd naar Somalië en dat de moeder, tezamen met de vreemdeling en de hoofdpersoon, nog in Jemen verblijft. Ter motivering van zijn standpunt dat het voor de ouders, of één van hen, niet onmogelijk is om in Nederland te verblijven tijdens de medische behandeling van de hoofdpersoon, heeft de staatssecretaris in het besluit van 16 augustus 2011 naar deze verklaringen, waarvan de vreemdeling de juistheid niet heeft bestreden, verwezen en van belang geacht dat de vreemdeling en de in Somalië verblijvende familieleden van de ouders ondersteuning bij de opvang en verzorging van de kinderen van de ouders kunnen bieden.
4.2. De staatssecretaris zich met de hiervoor weergegeven uiteenzetting deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het voor de ouders, of één van hen, niet onmogelijk is om in Nederland te verblijven tijdens de medische behandeling van de hoofdpersoon, zodat er geen plaats is voor het oordeel van de rechtbank dat de staatssecretaris in dit geval met toepassing van artikel 4:84 van Pro de Awb van paragraaf B8/9 van de Vc 2000 had behoren af te wijken.
De grief slaagt.
5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het door de vreemdeling tegen het besluit van 16 augustus 2011 ingestelde beroep, gezien het hiervoor overwogene, alsnog ongegrond worden verklaard.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 mei 2012 in zaak nr. 11/28191;
III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink w.g. Robben
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2013
610