ECLI:NL:RVS:2013:942

Raad van State

Datum uitspraak
28 augustus 2013
Publicatiedatum
28 augustus 2013
Zaaknummer
201305093/1/R2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19d Nbw 1998Art. 19g Nbw 1998Art. 8:57 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit vergunning wijziging melkrundveehouderij wegens onvoldoende passende beoordeling Natura 2000

Het college van gedeputeerde staten van Overijssel verleende op 11 februari 2013 een vergunning voor de wijziging van een melkrundveehouderij nabij Natura 2000-gebieden. De Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en de Vereniging Stedelijk Leefmilieu, Groen- en Milieubeheer maakten bezwaar tegen dit besluit, dat door het college op 24 april 2013 ongegrond werd verklaard. Hiertegen werd beroep ingesteld bij de Raad van State.

De kern van het geschil betreft de toepassing van artikel 19g, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998, dat vereist dat een vergunning alleen kan worden verleend indien het college zich op grond van een passende beoordeling ervan heeft verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden niet worden aangetast. Het college baseerde zich op het Beleidskader Natura 2000 en stikstof voor veehouderijen en de Beleidsregel Natura 2000 en stikstof voor veehouderijen Overijssel als passende beoordeling.

De Raad van State oordeelt dat het college zich met louter verwijzing naar het Beleidskader en de Beleidsregel niet heeft verzekerd van het ontbreken van aantasting van de natuurlijke kenmerken, in strijd met artikel 19g van de Nbw 1998. Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit op bezwaar vernietigd en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van het college wordt vernietigd wegens onvoldoende passende beoordeling volgens artikel 19g Nbw 1998.

Uitspraak

201305093/1/R2.
Datum uitspraak: 28 augustus 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en de Vereniging Stedelijk Leefmilieu, Groen- en Milieubeheer (hierna: MOB en de vereniging), beide gevestigd te Nijmegen,
appellanten,
en
het college van gedeputeerde staten van Overijssel,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 11 februari 2013 heeft het college aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor de wijziging van een melkrundveehouderij aan de [locatie] te [plaats].
Bij besluit van 24 april 2013, kenmerk 2013/0140457 A13-077, heeft het college het door MOB en de vereniging hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit hebben MOB en de vereniging beroep ingesteld.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
Partijen hebben toestemming, als bedoeld in artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, verleend, waarna de Afdeling het onderzoek heeft gesloten.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998, voor zover relevant, is het verboden zonder vergunning projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
Ingevolge artikel 19g, eerste lid, kan, indien een passende beoordeling is voorgeschreven, een vergunning als bedoeld in artikel 19d slechts worden verleend indien het college zich op grond van die passende beoordeling ervan heeft verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast.
2. In de omgeving van de veehouderij bevinden zich de Natura 2000-gebieden Uiterwaarden IJssel, Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht, Weerribben en Zwarte Meer. Niet in geschil is dat de aangevraagde situatie leidt tot een toename van stikstofdepositie op deze gebieden en dat de vergunning ingevolge artikel 19g, eerste lid, van de Nbw 1998 alleen kan worden verleend indien het college zich op grond van een passende beoordeling ervan heeft verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van de betrokken gebieden niet zullen worden aangetast.
3. Het college heeft bij het verlenen van de gevraagde vergunning en bij het besluit op bezwaar aansluiting gezocht bij het "Beleidskader Natura 2000 en stikstof voor veehouderijen" (hierna: het Beleidskader) en de aan de hand daarvan vastgestelde "Beleidsregel Natura 2000 en stikstof voor veehouderijen Overijssel" (hierna: de Beleidsregel). Het college staat op het standpunt dat toepassing van de Beleidsregel en het Beleidskader tezamen kan worden aangemerkt als een passende beoordeling en dat het zich op grond van die beoordeling ervan heeft verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van de betrokken gebieden niet zullen worden aangetast.
4. MOB en de vereniging betogen onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2013, in zaak nr. 201107526/1/T1/A4 dat het college de gevraagde vergunning ten onrechte met toepassing van het Beleidskader en de Beleidsregel in bezwaar heeft gehandhaafd.
5. Onder verwijzing naar de hiervoor genoemde uitspraak van 22 mei 2013 overweegt de Afdeling dat het college zich met de enkele verwijzing naar het Beleidskader en de Beleidsregel, in strijd met artikel 19g, eerste lid, van de Nbw 1998, niet ervan heeft verzekerd dat het project niet zal leiden tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden.
6. Het beroep is gegrond. Het besluit op bezwaar dient wegens strijd met artikel 19g van de Nbw 1998 te worden vernietigd.
7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 24 april 2013, kenmerk 2013/0140457 A13-077;
III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Overijssel tot vergoeding van bij de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., en de Vereniging Stedelijk Leefmilieu, Groen- en Milieubeheer in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 472,00 (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;
IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Overijssel aan de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., en de Vereniging Stedelijk Leefmilieu, Groen- en Milieubeheer het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.
Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van staat.
w.g. Hagen w.g. Verbeek
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2013
388.